*

 
dossier

Archief

Grazen

Carl Friedman − 15/07/00, 00:00

Volgende week vindt u op deze plaats in de krant niet mijn column maar iets anders, ik heb geen flauw idee wat. Het is mijn zorg niet, want ik ga met vakantie. Nou ja, vakantie is een groot woord. Ik blijf gewoon thuis, maar ik ben een maandlang vrijgesteld van het schrijven van columns. Liever zou ik ermee doorgaan. Ik kan de verdiensten goed gebruiken. Maar ik ben als gevolg van een ongelukkige val een tikkeltje invalide geraakt.

Het gebeurde toen ik door een straat liep, waar werklieden het trottoir hadden opgebroken om kabel te leggen. Nietsvermoedend bewoog ik me over een pad van houten vlonders, aan de zijkant waarvan een zanderige afgrond gaapte. Nee, ik ben niet zo iemand die in zeven sloten tegelijk loopt. Ik heb aan één sloot genoeg om mijn nek te breken. Op zeker moment donderde ik dan ook hals over kop in het gat.

Toen ik eruit geklommen was, bleken mijn beide knieën te bloeden. Bij het zien ervan ontwaakte de kleuter in mij. Ik voelde de neiging mijn duim in mijn mond te steken en huilend naar mijn moeder te rennen. Maar mijn moeder is al sinds jaren dood. En Amsterdam mag dan een verlichte stad zijn, ik vreesde dat ik toch wel enig opzien zou baren wanneer ik als achtenveertigjarige snikkend en sabbelend op mijn duim door de drukke binnenstad zou draven. Daarom rechtte ik fier mijn rug. Pas nadat ik bloedend mijn boodschappen had gedaan, ging ik op huis aan.

Later bleek ik een hersenschudding en een gebroken arm te hebben opgelopen. Dat is niet ernstig. Je kunt er eigenlijk alles mee doen: stof afnemen, aardappels bakken, bed opmaken. Maar schrijven gaat moeizaam. Mijn hoofd is te suf om mijn gedachten bij elkaar te houden. En als ik er eindelijk toch in slaag iets te bedenken, zet mijn arm het zo tergend langzaam op papier, dat ik halverwege alweer de draad kwijtraak.

Ik ben niet beschaamd om er een maand mee uit te scheiden. Integendeel, het verbijstert me dat ik het al anderhalf jaar heb volgehouden. Toen Trouw me in januari 1999 uitnodigde om columns te gaan schrijven, was ik ervan overtuigd dat ik zoiets helemaal niet zou kunnen. Ik raakte in paniek bij het vooruitzicht dat ik elke week verplicht zou zijn deze ruimte te vullen. Immers, waarover moesten mijn columns gaan? Ik beschik niet over een rijk gedachteleven. Ik heb zoveel filosofische aanleg als een koe in de wei die, innig tevreden herkauwend, telkens weer tot het gelukzalige inzicht komt dat zij gras staat te eten en dat er een veld vol van is, helemaal tot aan het hek. Moest ik soms, week in week uit, schrijven over gras?

De redactie stelde mij gerust. 'Je kunt het toch proberen? Wij dwingen je tot niets. Je schrijft gewoon een paar stukjes en dan hou je ermee op. Even goeie vrienden.' Dat durfde ik wel aan. Er verschenen achtereenvolgens drie bijdragen van me in de krant. Toen werd er gezegd: 'Waarom ga je er niet nog een poosje mee door? Een poosje maar, dat kan toch geen kwaad?' Want ze zijn niet gek bij de redactie van Trouw, ze weten dat je een koe niet aan de ketting moet leggen. Iedere keer werd mijn medewerking met een maand verlengd. En zo, langzaam maar zeker, bleef ik hangen. Ben ik inmiddels van koe gepromoveerd tot columniste? Welnee, ik kom hier elke zaterdag een beetje grazen.

Vandaag al voor de vierenzestigste keer. Voor de vierenzestigste keer begraas ik het stukje weiland dat de redactie voor me heeft afgepaald. Ik sta er nogal sloom bij. Maar wat verwacht u anders van een koe met een hersenschudding? Glazig kijk ik voor me uit. Misschien moest ik maar eens een dutje doen, met mijn rug naar de wind? Van weggaan is geen sprake. Ik wil hier nooit meer vandaan. Het gras is goed, mijn beker vloeit over, ik heb niets te klagen. Im grünen ist alles grün.

mailIcon print |