Mensen, die in groepsverband meedoen aan geweld op straat, maar niet zelf een klap of een schop uitdelen, kunnen makkelijker strafrechtelijk worden vervolgd.
Dat is het resultaat van een wetsvoorstel van minister Korthals (VVD) van justitie, waarvoor gisteren brede steun bleek te bestaan in de Tweede Kamer.
Het strafrechtelijk aanpakken van zulke meelopers is nu nog lastig. Slechts iemand van wie is vastgesteld dat hij zelf geweld heeft gepleegd, kan nu worden veroordeeld op grond van het betreffende artikel (141) in het wetboek van strafrecht.
Het wetsvoorstel maakt het mogelijk ook mensen voor de rechter te kunnen brengen, die niet zelf hebben geslagen of geschopt, maar bijvoorbeeld wel de plegers hebben aangemoedigd of op andere wijze een bijdrage hebben geleverd aan het plegen van geweld. De wijdere strekking van het wetsartikel moet het ook makkelijker maken om relschoppers aan te pakken, die zich tijdens een massale ordeverstoring onherkenbaar vermommen en bij arrestatie hardnekkig blijven zwijgen over de gebeurtenissen en hun rol daarin.
Het openbaar ministerie hoeft dan niet meer te bewijzen dat iemand geweld heeft gepleegd, maar kan volstaan met het bewijs dat iemand een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd aan het groepsgeweld. Die kan er bijvoorbeeld uit bestaan dat iemand benzine heeft gehaald bij een pompstation, waarna anderen tijdens rellen de molotovcocktails gooien, waarvoor de benzine was bestemd.
Minister Korthals erkent dat de kans dat onschuldige omstanders worden opgepakt met het wetsvoorstel wat groter wordt. Voor een aantal fracties in de Tweede Kamer, GroenLinks en SP, was dat reden om aan te geven dat zij het wetsvoorstel niet kunnen steunen. D66 worstelt nog met dit probleem. Kamerlid Dittrich maakte duidelijk dat hij eerst nog met zijn fractiegenoten wil overleggen over de vraag of de kleinste coalitiefractie het wetsvoorstel wel of niet steunt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.