Voor dwangmedicatie bij de uitzetting van vreemdelingen bestaat geen wettelijke basis. Staatssecretaris Cohen beroept zich op niet-bestaande juridische bevoegdheden om dit toe te staan.
Dat stellen de Tilburgse hoogleraar vreemdelingenrecht A. van Kalmthout en P. Rouwen, juridisch adviseur van het Justitieel Complex Willem II in Tilburg, volgende week in het tijdschrift Migrantenrecht. Volgens Van Kalmthout en Rouwen biedt de wet slechts bij uitzondering ruimte voor dwangmedicatie. Het gaat dan om situaties waarin mensen een gevaar vormen voor hun eigen gezondheid of die van anderen. Dwangmedicatie om uitzetting te vergemakkelijken, mag volgens beide auteurs niet.
De vraag welke dwangmiddelen wel mogen bij uitzetting van vreemdelingen, leeft sinds 1992. Een Roemeen liep toen blijvend hersenletsel op doordat zijn mond lang werd afgeplakt. Dit incident leidde tot de instelling van de commissie-Van den Haak, die richtlijnen voor de toepassing van dwangmiddelen moest formuleren. Juist voor dwangmedicatie, zoals sederende injecties, bleef het bij een uiterst summiere aanbeveling: 'Het mag als heersende medische en juridische opvattingen dat rechtvaardigen.'
Wanneer die heersende opvattingen nu wel of niet dwangmedicatie toelaten, is volgens Van Kalmthout en Rouwen niet nader uitgewerkt. Zo is er sinds 1994 een 'ambtsinstructie' voor politie en marechaussee. Daarin staat wel welke vormen van geweld zijn toegestaan tijdens uitzettingen, maar niets over medische dwangmaatregelen. Beide schrijvers noemen het dan ook 'zorgwekkend' dat staatssecretaris Cohen op de richtlijnen van de commissie-Van den Haak en deze ambtsinstructie blijft terugvallen.
Dwangmedicatie werd in Nederland voor zover bekend elf maal toegepast in 1999. Volgens Van Kalmthout en Rouwen is echter nauwelijks zicht te krijgen op wat zich tijdens uitzettingsprocedures afspeelt en is de overheid bereid 'zeer ver te gaan teneinde een uitzetting te effectueren.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.