*

 
dossier

Archief

Smeets

Mart Smeets − 15/01/00, 00:00

Schaatsgoeroe Ab Krook, de enige KNSB-vertegenwoordiger die niet in een met reclamenamen volbeplakt truitje de persconferentie van zijn bond in Hamar bezoekt, zegt bedachtzaam: ,,Ik kan me nog een kampioenschap in Keystone herinneren, ik denk dat het 1977 was. Theo Koomen was er een jongen van het ANP en dat was alles, we telden helemaal niet mee.'' Krook kijkt het zaaltje rond. In een wirwar draaien een kleine dertig Nederlandse schaatsjournalisten door elkaar heen. Twee verdwaalde Noren completeren het gezelschap. In een hoek staan twee camera's opgesteld: ook de sfeerbeelden en de belangrijkste woorden van de toppers van de Nederlandse schaatswereld moeten worden opgenomen. Krook bekijkt zijn omgeving en zegt: ,,Het is onvoorstelbaar hoeveel persmensen onze sport nu trekt. We hebben zoveel aanvragen voor interviews gekregen, onwaarschijnlijk.''

Schaatsen. Spreek het woord langzaam uit en een Nederlander spant de spieren aan. Rijdt in gedachten zelf rondjes, legt een arm op de rug, is op jacht naar een p.r., of stapt jubelend van het ijs. Wij ZIJN schaatsen; het zit ons in het bloed en we vinden het nog heerlijk ook dat we het enige land zijn waar deze bezigheid als 'wereldsport' te boek staat.

Krook weet dat, getuige: ,,Zelfs in de directe buurlanden maakt onze sport niets los. Belgen lachen om ons en die paar Duitsers die het doen, kijken meer naar de Nederlandse televisie dan wat dan ook.''

Wat wil de opperstalmeester van onze winterbezigheid daarmee zeggen? Krook: ,,Dat we kwetsbaar zijn. Dat is al heel lang zo, want in de laatste twintig jaar is de wereldkaart voor schaatsers niet groter geworden. Onze cultuur is de grootste, zeer zeker qua organisatie.''

En het gevaar daarin? Krook: ,,Stel dat de interesse in ons land af zou nemen, de interesse van de media dus, dat zou slecht zijn. We leven in een hoogconjunctuur, kijk naar die commerciële ploegen en onze sporters verdienen heel goed. Als die interesse zou afnemen, als de markt dus schaars zou worden, dan bestaat er voor schaatsers geen mogelijkheid om naar het buitenland te trekken. Dat maakt de positie van onze toppers interessant. En kwetsbaar.''

Bijna dertig scibenten en praters uit Nederland echter omzomen nu nog het ijs van Hamar. De NOS stuurt nog steeds alle beelden van het EK de lucht in en de radio-verslaggevers volgen de elitetroepen van de KNSB overal over de wereld. We willen nog steeds alle rondentijden van Tonny en Ids (in deze kaboutersport wordt zelden met achternamen gewerkt!) weten, en het Gespek van de Week is de mooi gefotografeerde boezem van Miss Wijsman, afgedrukt in Sportweek.

Krook: ,,Dit verhaal vertellen we elkaar al twintig jaar. Toen hoopten we dat Eric Heiden de Amerikanen warm zou maken. Later vielen de Zweden weg en kwamen de Japanners even opzetten. Nu is er gelukkig concurrentie uit Canada op de sprint en misschien wel van de Noren hier in Hamar.''

Ik knik. Ik weet dat ik hiermee mijn jaarlijkse gesprek met Krook gehad heb. Altijd is het gespreksonderwerp direct bepaald geweest: de globalisering van de schaatssport. Later loop ik door Hamar. Niets doet denken dat hier een kampioenschap verreden zal worden. Hier en daar een zeer bescheiden aanplakposter. Met Eskil Ervik in starthouding. De grootte van de poster is die van een biljet van een derdeklasse voetbalvereniging in Zevenaar of Goes.

mailIcon print |