In Latijns-Amerika zijn miljoenen mensen verstoken van begrijpelijke en betaalbare vormen van communicatie. De World Association for Christian Communication, met hoofdkwartier in Londen, steunt daarom diverse vormen van communicatie die zich op gewone mensen richten. Twee voorbeelden: volksradio in Haïti (,,bij de rest komen afwijkende geluiden zelden voor'') en poppentheater in Colombia (,,ze krijgen zo meer zelfvertrouwen in eigen kunnen'').
'Bonjouou!
M rele Rolaand.
Kii yan ou yéé?
M' ap kénbee.''
(Goeoeie middag. Mijn naam is Roelaand. Hoeoegaat het met u? Met mijn gaat het z'n gangetje).
Het opgewekte stemgeluid maskeert de verlammende hitte. Buiten is het dertig graden, in de kleine studio zeker vijftig. Dat blijkt zelfs voor een geboren en getogen Haïtiaan als presentator Roland Fleurismat te veel van het goede. Zweetdruppels parelen op zijn donkere voorhoofd. Hij breekt de introductie af, laat de knop van de microfoon los en grijpt naar het cd-paneel. Het geweld van de racine-band Boukman Eksperyans spat uit de ether: 'Jou Nou Revolte, de dag dat we in opstand kwamen'. Volksradio in actie.
Fleurismat presenteert een Haïtiaanse variant van VPRO's 'O.V.T'. In kort bestek worden historische hoogtepunten uit de nationale geschiedenis behandeld, gelardeerd met populaire muziek uit eigen land. Dit keer gaat het over 7 februari 1986, de dag waarop dictator Jean Claude (Baby Doc), Duvalier het land ontvluchtte en, aldus Fleurismat, ,,ons volk na decennia van repressie en terreur even mocht ruiken aan de bloesem van de vrijheid''.
De presentator gaat soms wat kort door de bocht. Dat doet hij, vertelt hij later, om het voor de luisteraars, van wie zeker tachtig procent alleen lagere school heeft, overzichtelijk te houden. Dat blijkt ook de reden waarom het programma, net als alle andere uitzendingen van Radio Inité (= eenheid), niet in het Frans, de officiële taal, wordt gepresenteerd, maar in het Creools, spreektaal van negen op de tien Haïtianen.
In Londen, op het hoofdkwartier van de Wacc (World Association for Christian Communication) had Maria Aquirre, coördinatrice voor Latijns-Amerika, het al uitgelegd: ,,Tv, internet, e-mail en fax mogen dan in het Westen de dominerende communicatiemiddelen zijn, in grote delen van Midden- en Zuid- Amerika is dat niet zo. Daar staat de radio nog altijd nummer één. Waarom? Het is relatief een goedkoop en gemakkelijk inzetbaar medium, en als consument hoef je geen dure spullen aan te schaffen of ingewikkelde cursussen te volgen. Ideaal voor een continent dat barst van de armen en de halve en hele analfabeten.''
De commercie heeft dat ook ontdekt. Zelfs in een verpauperd land als Haïti is een belangrijk deel van de radiostations in commerciële handen. Met het bekende gevolg: plat populisme, dat wordt gefinancierd via simplistische reclamespots. Daarnaast is er de staatsradio oftewel his masters voice. En tenslotte bezitten rooms- katholieken en baptisten elk hun eigen station dat voortdurend vrome socio-religieuze boodschappen uitzendt. Elk van deze zenders heeft een nationaal bereik en gaat veelal voorbij aan de lokale noden en interesses van de gewone man en vrouw op het platteland en in de steden.
Vandaar dat in 1994 een nieuw fenomeen zich aandiende: radio communautair. Die ging zich vooral richten op boeren en bewoners van sloppenwijken. Inmiddels heeft deze vorm van lokale radio zijn bestaansrecht bewezen. Dit is voornamelijk te danken aan het Centre for Research and Action for Development (Crad). Dat heeft vier zenders -één in de hoofdstad Port-au-Prince, één in Cap Haïtien, en de twee andere in de provincie- en overweegt er nog eens drie op te starten. ,,Want'', stelt oprichter Gotson Pierre, ,,dit land kent wel weer vrijheid van meningsuiting, maar niet van communicatie''. Hij doelt op het feit dat de meeste media, en zoals gemeld ook de radio, bezit zijn van commerciële, ideologische of politieke belangengroepen. ,,Afwijkende geluiden komen zelden door.''
Om dat te veranderen krijgt het Crad subsidie van de Wacc. Deze mondiale oecumenische organisatie steunt vormen van communicatie die dicht bij de gewone mensen staan.
Radio Inité is daar een voorbeeld van. Het station bevindt zich in Saint Michel de L'Attalaye, een stadje in Oost-Haïti, op het Plateau Central. Je kunt het alleen te voet, per muilezel of met een terreinwagen bereiken, want verharde wegen zijn er in dit berggebied niet. Schamele hutten en schaars geklede kinderen bepalen het beeld. Op een heuvel scharrelen kippen rond bij een zendmast. Ernaast staat een zalmroze gebouwtje. Hier huist, onder nogal primitieve omstandigheden, de redactie. Vijf jaar geleden door de lokale boerenbond opgericht geeft Radio Inité ,,stem aan de stemlozen'' (Pierre). Die hebben ook inspraak wat betreft de inhoud van de programma's en de aard van de uitzendingen.
Iedere morgen tussen vijf en zeven en elke middag en avond van vijf tot twaalf wordt via de FM een breed scala aan programma's verzorgd. Alles komt aan de orde: sociale thema's, sport, religie, (veel) muziek, gezondheidstips en plaatselijk nieuws. Met name dat laatste is belangrijk voor mensen die over buurtkrant noch telefoon beschikken. Reden waarom er ook een programma is waar luisteraars verloren of gevonden voorwerpen kunnen melden en vrienden en bekenden te feliciteren of condoleren.
De uitzendingen, door vrijwilligers verzorgd en daardoor vaak wat amateuristisch, hebben een bereik van zo'n zestig vierkante kilometer en worden door ruim 150000 mensen beluisterd. ün gewaardeerd. Daarvan getuigen de vele brieven en mondelinge reacties. De adhesie uit zich ook door giften. In geld én in natura, zoals benzine voor de crew. Zesduizend gourdes (780 gulden) zijn maandelijks nodig om de zaak draaiende te houden. Dat lijkt weinig, maar voor een straatarme streek als deze is het dat niet. Reclamespots, inzamelingsacties, sponsering, donaties en financiële steun van het Crad leveren net voldoende op.
Een trotse directeur over zijn radiostation: ,,Bij ons praat elke presentator met de luisteraars en niet, zoals bij de staatsradio gebeurt, tegen hen.'' En: ,,We moeten wel simpel en bondig formuleren, anders gaat de knop om.''
Een andere manier van communicatie bedrijven vindt plaats in de barrios Juan XXIII en Nuevo Granada, twee relatief kleine sloppenwijken in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá. Het leven wordt er gekenmerkt door armoede, geweld en sociale ontworteling. De huizen hangen schots en scheef tegen elkaar. In felle kleuren geschilderd lijken ze op het oog best aardig, maar binnen is het er donker, vochtig, klein en gehorig. Privacy bestaat nauwelijks. Zes personen slapen in één kamer. En dit alles tegen woekerhuren.
De gemeente, onder druk gezet door projectontwikkelaars, tracht de mensen weg te pesten. De grond, dicht bij rijkere buurten gelegen, is goud waard. De bewoners verzetten zich, maar intussen rukken de luxe appartementen dreigend op.
Beide wijken vormen al tien jaar het werkterrein van Luís Castiblanco, predikant van een kleine methodistengemeente. Met Engels aandoend gevoel voor understatement meldt hij: ,,Collega's lopen de deur niet plat.'' In werkelijkheid geven veel predikanten, vanuit veilige verte, hem de raad zijn heil elders te zoeken. 'Je vecht tegen de bierkaai' laten ze weten. Zelf ervaart Castiblanco dat heel anders. ,,Oké, het werk is soms frustrerend en je maakt lange, uitputtende dagen, maar je krijgt er ook veel voor terug.''
In elk geval hartelijkheid, blijkt bij een rondgang door de twee wijken. Dominee is populair onder de in hoofdzaak katholieke bewoners. Steeds weer houdt men hem staande, moet hij handen schudden, verhalen aanhoren. Zelfs jeugdbendeleider Daniel -,,waar ik pis zeikt niemand anders'' - is niet te beroerd Castiblanco joviaal op de schouder te slaan. Die zegt over de 23-jarige: ,,Er zit veel goeds in die jongen, alleen kost het bakken energie om het er uit te krijgen. Dat geldt voor velen hier.''
Simone, zestien en ongehuwd, laat haar zoontje van twee aan de dominee zien. Als we verder lopen vertelt de predikant: ,,Er lopen hier honderden Simone's rond.''
Zestig procent van de bewoners van beide wijken heeft geen werk. Wat leidt tot 'klassieke' uitwassen als prostitutie, alcoholisme en het snuiven van coke en het roken van crack. De rest van de bewoners beult zich af in slecht betaalde baantjes. Elke nacht trekken bewoners de binnenstad in om er lege blikjes te verzamelen. Tegen een kleine vergoeding per exemplaar levert men ze in bij de recycling.
De wijk Juan XXIII kent één verharde weg, door de gemeente aangelegd ten behoeve voor de bus die twee maal daags naar en van de elite-school pendelt die in de wijk is neergezet. Als zichtbaar teken van sociale tegenstellingen. Want kinderen uit de buurt worden er niet toegelaten.
Castiblanco legt uit: ,,Als gevolg van slechte sociale omstandigheden hebben de mensen hier een laag zelfrespect. Hoe kan het ook anders. Als je generatie op generatie te horen krijgt dat de armoede je eigen schuld is, ga je op den duur zelf in je vermeende inferioriteit geloven. Bewoners van achterstandswijken voelen zich buitengesloten. Ze zijn te bescheiden, kunnen slecht voor zichzelf opkomen. Assertiviteit vraagt om zekere communicatieve vaardigheden en die hebben ze van huis uit niet meegekregen. We proberen die hen alsnog bij te brengen. Laten ook zien hoe ze hun eigen leefsituatie in de hand kunnen nemen.''
Als Castiblanco het over ,,wij'' heeft doelt hij ook op het Cepalc, afkorting van Centro Popular para América Latina de Communicación. Deze niet-gouvernementele instelling (ngo) werd in 1978 door de katholieke theologe Amparo Beltrán opgericht. Sinds 1982 deelt ze de leiding met haar man Félix Pasada, socioloog en schrijver van historische romans. De activiteiten van het Cepalc -hoofdkwartier in Bogotá- bestrijken heel Colombia.
Ze betreffen alternatieve vormen van communicatie en hebben tot doel de armere lagen van de bevolking en de culturele minderheden (indianen, zwarten) bewust te maken van hun slechte sociale omstandigheden. Met zijn breed aanbod aan scholings- en expressiecursussen bereikt het Cepalc jaarlijks zo'n duizend kinderen en volwassenen. Reden waarom ook deze ngo de laatste jaren door de Wacc financieel -jaarlijks vijfduizend dollar- wordt gesteund.
Op zijn beurt sluist het Cepalc gelden door naar lokale communicatie-projecten zoals het poppentheater van dominee Castiblanco. Dat wordt door vrouwen gerund (,,zelfs de poppen maken ze zelf''). Tijdens de uitvoeringen komen onderwerpen aan de orde als de relatie kinderen-ouders of de vraag hoe je je excuses moet aanbieden. Castiblanco: ,,Het mes snijdt daarbij aan twee kanten. De mensen worden, op aanschouwelijke manier sociale vaardigheden bijgebracht en de speelsters krijgen meer vertrouwen in eigen kunnen.''
Met steun van datzelfde Cepalc organiseert de predikant ook workshops: over verantwoorde seks, kinderopvoeding, de man-vrouwrelatie. Cepalc-oprichtster Beltrán constateert: ,,Spelenderwijs leren deze 'verworpenen der aarde' dat ze meer kunnen dan men hen altijd heeft wijsgemaakt. Het maakt hen weerbaar en stimuleert ze hun lot in eigen hand te nemen. Meemaken hoe iemand zich aan zijn haren uit het moeras trekt -dat is echt het mooiste wat ik ken.''
Dit stuk is tot stand gekomen met financiële steun van de mediacommissie van de Nederlandse Zendingsraad.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.