De ontkerkelijking in Nederland vlakt af. Uit cijfers van het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) blijkt dat het percentage onkerkelijken onder de Nederlanders van 18 jaar en ouder tussen 1993 en 1999 slechts licht is gestegen: van 40 naar 41 procent. Ook in de overzienbare toekomst lijkt het onwaarschijnlijk dat ons land massaal onkerkelijk zal worden.
Bij dit onderzoek over kerkelijke gezindte en kerkgang werd aan een representatieve doorsnee van de Nederlandse bevolking gevraagd tot welke kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering men zich rekent. Het gaat dus niet om het formele lidmaatschap van een organisatie. Dat ligt vrijwel zeker heel wat lager.
Dit geldt ook voor het kerkbezoek. Slechts een kwart van de bevolking gaat nog éénmaal of meerdere keren per maand naar de kerk. Tweederde ziet in dit verband zelden of nooit een kerk van binnen.
Van de gereformeerden komt ruim 70 procent regelmatig naar de dienst. Bij de hervormden is dat 36 en bij katholieken 30 procent. Het kerkbezoek ligt het laagst in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Groningen en het hoogst in Limburg en Zeeland. Vrouwen komen relatief wat vaker in de kerk dan mannen.
De andere definiëring van het begrip kerkelijkheid verklaart volgens CBS-medewerker Smeets het verschil tussen de cijfers van zijn bureau en die van het Sociaal en cultureel planbureau. Dit laatste vraagt wel speciek naar het al dan niet formeel lid zijn van een kerkgenootschap of levensbeschouwelijke organisatie. Het komt daardoor tot veel lagere cijfers wat het aantal kerkelijken betreft en veel hogere voor de groep niet-kerkelijken.
Zo lag volgens het SCP het percentage onkerkelijken vorig jaar op 63. Het CBS geeft voor 1999 andere cijfers: 43 procent onkerkelijken bij de mannen en 38 procent bij de vrouwen.
Het percentage katholieken lag, aldus het Sociaal en cultureel planbureau, in dat jaar op 18, het percentage Nederlands hervormden op 8 en dat van de gereformeerden bedroeg 7.
De cijfers van het Centraal bureau voor de statistiek liggen hoger.
In 1999 bekende volgens het CBS 31 procent van de bevolking zich tot de rooms-katholieke gezindte. Dat percentage is sinds 1989 vrijwel niet veranderd. Met slechts een uitschieter in 1991 naar 34 procent.
Hetzelfde geldt voor de gereformeerden. Die daalden licht: van 8 procent in 1989 naar 7 procent in 1999. Daarbij merkt het CBS op dat het alle kerkgenootschappen met gereformeerd in de naam als zodanig beschouwt.
Het percentage hervormden nam redelijk fors af: van 18 procent in 1989 naar 14 procent in 1999.
Het omgekeerde geldt voor de islamieten. In 1989 maakten ze 2,9 procent van de Nederlandse bevolking uit, in 1999 4,6 procent. Dit hangt vooral samen met gezinshereniging, met de instroom van asielzoekers uit moslimlanden en met de hogere vruchtbaarheid in islamitische kring. Van een 'islamisering' van de samenleving is, in tegenstelling tot wat sommigen suggereren, geen sprake.
3,4 Procent van de Nederlanders bekent zich tot een andere levensbeschouwelijke stroming, waarvan 0,5 tot het hindoeïsme (was in 1989 0,4).
Het percentage kinderen dat niet de gezindte van de ouders aanhangt, verschilt per kerkelijke of levensbeschouwelijke groepering. De geringste geloofsafval vindt plaats bij de islamieten, de grootste onder hervormden.
Van de tussen 1945 en 1964 geboren kinderen met een islamitische vader noemde in 1998 tachtig procent zich eveneens islamiet. Vier procent had inmiddels een ander geloof aangenomen en zestien procent rekende zich niet meer tot een aparte levensbeschouwelijke groepering.
Van de kinderen van rooms-katholieke huize die zijn geboren in de periode 1945-1964, noemde twee van de drie zich in 1998 katholiek, terwijl 30 procent onkerkelijk was geworden.
Bij de hervormden was ruim 40 procent van alle kinderen van genoemde jaarklasse onkerkelijk geworden. Wat de gereformeerden betreft bleef dit beperkt tot 30 procent.
Opvallend in het onderzoeksjaar is dat bij de jongere generaties -degenen die na 1964 zijn geboren- de overeenkomst tussen de gezindte van vader en kind groter bleek dan bij bovenvermelde vroegere generaties. Van de kinderen van islamitische vaders was 92 procent in 1998 ook islamiet. Bij de hervormden bleek dit 55 procent te zijn, bij aanhangers van de Gereformeerde kerken in Nederland 57 procent en bij de rooms-katholieken 61 procent. Hierbij merkt het CBS wel op dat de invloed van de ouders groter zal zijn voor de jongste generaties kinderen dan voor de oudere.
Toch durft Smeets gerust te stellen dat van massale ontkerkelijking van de 18- tot 24-jarigen geen sprake is. Hij houdt het op ongeveer 50 procent.
Wanneer je, zoals het CBS ook doet, de percentages van 1999 afzet tegen die uit 1849 blijkt dat zich de laatste honderdvijftig jaar in Nederland wel degelijk een proces van forse ontkerkelijking heeft voorgedaan. Anderhalve eeuw geleden zei niemand dat hij onkerkelijk was, nu, als gezegd, 41 procent.
In die tijd bekende 55 procent van de bevolking zich tot de hervormde gezindte en 38 procent tot de rooms-katholieke. De omslag kwam rond 1930 en zette door na 1960.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.