*

 
dossier

Archief

Beroepskosten

Amsterdam Henk Luif, directeur KNTV, vakbond van musici − 25/01/00, 00:00

Een kleine twee procent van de belastingplichtigen zal, als minister Zalm en staatssecretaris Vermeend hun zin krijgen, in 2001 de werkelijke beroepskosten niet meer op het aangifteformulier kunnen vermelden. Dat betreft werknemers in loondienst met hoge beroepskosten, die nu wel aftrekbaar zijn. Zalm en Vermeend vinden dat de werkgever bij wie deze mensen in dienst zijn, deze kosten maar moeten gaan vergoeden.

Musici in loondienst, werknemers bij symfonieorkesten, conservatoria en muziekscholen, zouden zeer getroffen worden vanwege hoge kosten voor aanschaf en onderhoud van veelal dure instrumenten. Zij moeten via studie hun beroepskwalificaties op peil houden en hebben daarom om geluidsoverlast te voorkomen thuis een aangepaste werkruimte. Het totaal van de beroepskosten op jaarbasis varieert tussen de acht- en vijftienduizend gulden. De netto inkomstenachteruitgang zal per maand 150 tot 500 gulden en soms nog meer bedragen, als de plannen doorgang vinden.

Bij musici in loondienst worden de loonkosten feitelijk gedragen worden door overheden. Dat is het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen (OCenW) als het gaat om de symfonieorkesten en de conservatoria. De gemeentelijke overheden financieren voor twee derde de muziekscholen. Met een andere financieringswijze zouden beroepskostenvergoedingen dan toch via belastinggeld betaald worden. Maar zou het langs die weg kunnen, en hoe ingewikkeld maken we het dan? Allereerst zouden er zeer grote bedragen (tientallen miljoenen guldens tot wellicht 100 miljoen) door het ministerie van financiën beschikbaar moeten worden gesteld aan het ministerie van OCenW en de gemeenten. Die moeten deze budgetten dan willen doorsluizen naar de instellingen. De bonden en werkgevers moeten vervolgens regels en voorzieningen treffen en administratieve uitvoering geven aan vergoedingsregels en werkruimten. Die werkruimtes zouden dan binnen de instelling nog gecreëerd moeten worden. De variëteit aan vergoedingsregels en werkruimtevoorzieningen zou immens zijn. Elk instrument stelt zijn eigen eisen.

De uitvoering en instandhouding van zo'n systeem zou een enorme bureaucratie oproepen. Hoe omgegaan zou moeten worden met de uitgaven (waaronder bijvoorbeeld de auditiekosten) van musici die zich nog moeten kwalificeren voor een functie in loondienst, is duister. Zijn hun kosten toerekenbaar naar een al of niet nieuwe werkgever? En hoe ga je om met werknemers met een halftime functie? Kunnen die werken met een half instrument en halfslachtig studeren, of moeten die kosten toch volledig worden vergoed?

De oplossing zou zijn dat de musicus in loondienst zich vanaf 1 januari 2001 kan melden bij minister Zalm of staatssecretaris Vermeend en buiten de inkomstenbelasting om in aanmerking te komen voor een vergoeding van gemaakte kosten. Die zal dan eigenlijk zo hoog moeten zijn als de werkelijke uitgaven; dat zou eerlijk zijn. Nu ontvangt de musicus afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen slechts 35 of 50% via de belasting terug.

Het oude systeem is zo gek nog niet. Dat moet in stand blijven. Voor bepaalde beroepsgroepen zijn nu eenmaal afwijkende regels nodig. In 1999 trad bijvoorbeeld de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars in werking omdat de nieuwe Algemene Bijstandswet voor de kunstenaar die nog niet in het eigen inkomen kan voorzien, geen perspectief bood.

mailIcon print |