In de afgelopen maanden werd ik getroffen door het postume gesol met twee breinen: dat van Einstein en dat van Murdoch, ik bedoel Iris, de schrijfster.
Het is moeilijk te zeggen wat me nu precies stoorde, maar ik zal proberen het uit te leggen.
Eerst iets algemeens over hersenen. We zijn het er dacht ik wel over eens dat onze hersenen in ons hoofd zitten. De afwijkende mening als zou het brein van de man grotendeels tussen de benen bungelen bestaat nu juist tegen de achtergrond van de wetenschap dat het betrekkelijk veilig in die benen pot zit die zich onder ons haar, achter onze ogen, tussen onze oren bevindt.
Aristoteles dacht dat de hersenen slechts dienden om snot te maken waarmee het hart gekoeld werd. Was dat maar waar, zou Beckett zeggen, dan waren we van een hoop gemieter af. Nee, ze maken geen snot. Ze maken ONS.
Van slijmklier zijn de hersenen gegroeid tot zielenbouwer. Hoe dat precies gaat is ons niet duidelijk, maar het proces vindt plaats via aanvoer en afvoer.
Allerprimitiefst denkend (het beeld komt van Galenus) kun je zenuwen zien als kabeltjes die via katrolletjes aan de verschillende lichaamsdelen trekken. Dan is het brein een enorme kluwen touw met uitlopers die aan de spieren trekken en andere uitlopers waar de wereld aan trekt, via de zintuigen.
Hersenonderzoek heeft ons geleerd dat onze hersenen veel ingewikkelder zijn dan één kluwen. De verwikkeling van de draden is namelijk een steeds wisselende. De onderlinge verbindingen veranderen voortdurend onder invloed van de wereld, maar ook onder invloed van sommige stoffen.
Drinkt u maar eens veel te veel en u zult ervaren dat een aanzienlijke hoeveelheid verbindingen niet meer of slechts hortend tot stand gebracht kunnen worden. U merkt dat bij het spreken, het lopen en ook bij uw voelen en denken. Wie eenmaal na alcohol of marihuana of andere stof de houten buste van een paard innig kussend omarmd heeft als het antwoord op alle vragen over het heelal, zou zich de wisselvalligheid van de bedrading voor altijd bij het wakker worden moeten herinneren.
Ergens in die kluwen worden wij geweven. Dat dit zo is heb ik altijd een grove waarneming gevonden. Een kille bewering. Zo'n alle kunst en poëzie veronachtzamend materialistisch standpunt. Een afwijzing van alles wat Hoog en Diep is. U kent dit half jubelende, half kermende toontje wel.
Maar toch is het zo.
Dat wordt duidelijk als je ziet wat er gebeurt bij een beroerte. Van de ene minuut op de andere wordt een persoonlijkheid stukgetrokken. Een warme, humorvolle man die van zijn vrouw houdt, wordt een kille narrige dwarskop die emotioneel niet meer te volgen is en die haar nooit meer aanraakt.
De hedendaagse angst voor dementie is het terugdeinzen voor dit feit: dat we in onze hersenen gemaakt worden en dat dat breiwerkje weer kan worden uitgehaald. Steek voor steek.
Er is ook een vreemde fascinatie die ons naar de rand van deze afgrond lokt. Nietzsche's laatste geschreven woeste flarden, Willem de Koonings laatste schilderijen en Iris Murdochs gestage uiteenvallen zoals John Bayley het heeft beschreven in Iris.
Maar wat ging er nu verkeerd met de breinen van Einstein en Murdoch?
In een tijdschrift voor artsen-in-opleiding zag ik een foto van Einsteins hersenen. Jemig! Einsteins hersenen! Het doet denken aan 'Chopins handen', maar mist nu juist alle finesse die een gipsen afgietsel van deze handen zo ontroerend maakt. Want Einstein dacht niet met zijn hersenen zoals Chopin speelde met die handen. Ik vind het grof om iemands brein postuum aan den volke te tonen en hersenfysiologisch geproken is hier sprake van een misverstand.
Hetzelfde gebeurde met de hersenen van Iris Murdoch. John Bayley liet de pers weten dat haar hersenen voor de crematie uit de schedel waren verwijderd om het verband te onderzoeken tussen de beschadigingen en haar gedrag.
Nou moest ik al slikken bij zijn beschrijving van Iris in vervoering gebracht door de Teletubbies, maar dit was weer een stuk bruter. Want die één op één correlatie tussen Murdochs brein en haar persoonlijkheid is nu precies wat de hersenfysioloog niet interesseert, evenmin als die eenmalige verbinding tussen Einsteins Relativiteitstheorie en zijn overmatig grote pariëtale onderkwabben. Het gaat er immers om te ontdekken hoe iemands brein eruitziet als zij geen gezichten meer herkent, maar niet als zij het gezicht van John Bayley niet meer herkent. Die belangstelling voor dat ene brein in verband met die ene gebeurtenis bestaat wel in bijvoorbeeld het geval van John Kennedy.
Bij Kennedy ging het erom de richting waaruit de kogels kwamen te reconstrueren om zodoende deze nooit opgeloste moord te ontrafelen, maar dat heeft niets met hersenonderzoek te maken. Kennedy's brein is helaas 'zoekgeraakt'.
Maar in die postume ontbloting van Einsteins en Murdochs hersenen ervaar ik, achter het masker van foute hersenfysiologie, een heel andere, veel grimmigere boodschap: stof zijt gij. Grijze stof, als u dat chiquer vindt, maar stof.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.