,,Mogen we nog eens een beroep op u doen?'', vraagt de mevrouw van de Nederlandse Hervormde kerk in Ammerstol zondagmorgen aan Thea Bouwman. ,,Ja hoor'', zegt die. Het loopt tegen halftwaalf. De kerkdienst is achter de rug, het geld van de collecte is geteld, de koffie gedronken, het oude kerkgebouw gaat dadelijk weer dicht. Thea Bouwman (42) heeft zojuist een dienst geleid - de vierde in haar loopbaan.
Doordeweeks is ze leerkracht op een basisschool, maar sinds jaren studeert ze op zaterdag theologie in Utrecht. Afgelopen herfst was ze daarmee ver genoeg gevorderd om te kunnen beginnen met een praktijkdeel van die opleiding: het 'preekconsent'. Dat is zoiets als een voorlopig rijbewijs. Heb je drie tot zes proefpreken gehouden en is dat goed verlopen, dan krijg je voor drie jaar toestemming om te preken.
Om die proefpreken te laten beoordelen maak je een opname van de dienst. De docenten beluisteren die. Enkele tientallen mensen zitten in de kerkbanken, plus een paar kinderen die aan het eind van de preek terugkeren uit een kindernevendienst in een zijkamer. Bij Thea Bouwman gaat het vandaag over het allereerste begin van de beknoptste evangelieschrijver: Marcus 1 vers 1 tot 16. Eigenlijk hoefde ze maar tot vers 12 te gaan, maar toen ze met de voorbereidingen begon (,,Ik ben een week of vijf geleden aan deze preek begonnen en heb 'm in de kerstvakantie geschreven''), trok ze er nog vier verzen bij.
Daarin gaat Jezus na zijn doop eerst veertig dagen de woestijn in, wordt Johannes de Doper gearresteerd en begint Jezus het evangelie in Galilea te verkondigen. Op die vier laatste verzen richt Bouwman zich in haar preek. Met een dictie die wel iets heeft van Journaalverslaggeefster Pauline Broekema - veel kleine pauzes midden in een zin - legt ze haar gehoor uit dat het eigenlijk allemaal teleurstellende gebeurtenissen lijken. Dat het nog veertig dagen duurt voordat Jezus begint te preken. Die arrestatie. En vooral: dat Jezus het weinig prestigieuze Galilea uitkiest.
De gemeente houdt de adem in: tja, wat nu? Maar dan komt de oplossing. Jezus' gang naar Galilea is geen toeval. Hij wil juist daar zijn. ,,God heeft kennelijk iets met het zwakke, het verwarde, het ongelovige, het ontwortelde'', zegt Bouwman. En daar borduurt ze nog even op door. Dat het bij God altijd anders loopt dan wij mensen denken. Dat we niet moeten denken dat we ons leven in eigen hand kunnen nemen. Maar dat God er bij is als de ene na de andere teleurstelling ons overvalt. Opgelucht zingt de gemeente dan Lied 127: 'Vat moed, bedroefde harten, de Koning nadert al'.
,,Zo'n preek maken is eigenlijk een moeizame operatie. Tijdens de opleiding krijg je eerst een paar colleges, die 'preekschets' heten. In kleine groepjes moet je allemaal over hetzelfde gedeelte van de Bijbel een preek maken, in vijf weken. ,,Vanaf het moment dat je weet over welk bijbelgedeelte een preek moet gaan ga je de wereld door die ogen zien, merk ik. Je praat er ook telkens over, met deze en gene. Het begint ermee dat je de oorspronkelijke tekst in het Grieks herleest en kijkt wat er eigenlijk staat. En je leest commentaren.''
,,Ik vind het een hele worsteling, maar een fulltime predikant maakt zo'n dertig preken in een jaar. Maar ja, ik heb nu ook nog geen ervaring. Op papier is een preek drie tot vier A 4. Gemeten in tijd is het een minuut of twintig - een vel papier is ongeveer vijf minuten praten. En dan moet je je gebeden nog maken en je liederen uitzoeken. Daarbij kun je gebruikmaken van het Dienstboek en van de index van het Liedboek. Moet je even achterin kijken welke periode het is, en welke liederen daarbij horen. Daarna ga je kijken of die bij je preek passen.''
Nee, preken ziet ze niet als het belangrijkste onderdeel van het werk. De pastorale kant vindt ze veel belangrijker: ,,Dat je een eindje met iemand oploopt. Dat je, zonder dat die ander ervoor hoeft te betalen, naar iemand luistert en aandacht hebt. Je kijkt met iemand mee hoe het leven in elkaar zit. Zo'n gesprek hoeft helemaal niet over God te gaan - niet in eerste instantie, in elk geval. Maar ik zou nooit psychologie hebben kunnen studeren, want daarin mis ik een diepere dimensie. Geen enkele andere studie dan theologie stelt de vraag 'Wat heeft God ermee te maken?', en daarmee zijn ze voor mijn gevoel allemaal koud. Ik had niets anders kunnen studeren dan theologie, en zou ik opnieuw moeten kiezen dan zou ik het weer doen.''
,,Jawel, geloofszaken leven wel degelijk. Juist in een samenleving met veel onrust, haast, materialisme, zijn mensen bezig met andere dingen dan economie. Zodra je ziek wordt, of er is ander verdriet, dan ga je over de zin van het leven nadenken. Je kunt het aantal mensen in een kerkdienst daar niet als graadmeter voor zien. Dat veel mensen de kerk uit gegaan zijn, wil nog niet zeggen dat ze niet met zijnsvragen bezig zijn! Dat merk je ook in het dagelijks leven. Als ik vertel dat ik theologie studeer zijn er twee reacties. De ene is dat mensen verwachten dat jij het antwoord weet als het om feitjes uit de Bijbel gaat: 'dat moet jij weten, jij studeert theologie'. Maar de andere is dat mensen het niet gek vinden om met jou over God te praten. Of over verdriet. En daar gaat het mij om.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.