*

 
dossier

Archief

Nationale pretenties loslaten

Koen Koch − 05/02/00, 00:00

Het Instituut Clingendael meent dat het verantwoord is om buitenlanders in ons leger op te nemen omdat het bij vredesoperaties gaat om de verdediging van universele normen en waarden. Daarom zou de nationaliteit van de vredessoldaat irrelevant zijn geworden. Mient Jan Faber van het IKV omarmde donderdag in Trouw dit voorstel: de vredesmachten in Bosnië en Kosovo functioneren gebrekkig omdat zij samengesteld zijn uit nationale contingenten die slechts hun nationale prestige nastreven. Van een soepel opererende internationale vredesmacht is daarom geen sprake. Dat zou door het Clingendael-voorstel anders worden.

Afgezien van het feit dat het Clingendael-voorstel een wanhopige poging is om een nationale krijgsmacht overeind te houden in een tijd waarin Nederlanders zelf voor de nationale eer bedanken, zal de Nederlandse krijgsmacht niet internationaliseren door daarin buitenlandse soldaten op te nemen. Of de buitenlanders conformeren zich aan de Nederlandse omgeving, uit organisatorische noodzaak en daartoe gestimuleerd door taallessen en inburgeringscursussen, of zij vormen juist eigen Oekraïense of Oezbeekse enclaves waardoor het Nederlandse contingent, en de internationale vredesmacht als geheel, nog sterker fragmenteert. Met alle risico's van racistische spanningen en incidenten vandien.

De logica van Clingendael dat bij de verdediging van universele normen en waarden de nationaliteit van de vredessoldaat irrelevant is geworden en Fabers pleidooi voor een werkelijk internationale vredesmacht, voeren tot een en dezelfde conclusie: de oprichting van een zelfstandig, direct paraat VN-leger. Het is natuurlijk de vraag of zich voor dit VN-leger voldoende vrijwilligers melden.

Belangrijker is het vast te stellen dat de verzamelde nationale staten tot nu toe principieel weigeren zo'n VN-leger toe te staan. Zij zien dat als een aantasting van hun militaire soevereiniteit. Hoe dan ook, zolang er geen effectief VN-leger is, zal het met de vredesoperaties van de 'internationale gemeenschap' sukkelen blijven. 'Te laat en te weinig' zal steeds het oordeel zijn. Het is één ding om van grote hoogte te bombarderen, een ander ding is het om voldoende internationale politiemensen op de been te krijgen om op de grond een bedreigde minderheid te beschermen.

Het Clingendael-voorstel voorziet niet alleen in het werven van individuele buitenlandse vrijwilligers, maar ook in het 'adopteren' van bijvoorbeeld een heel Pools bataljon. Nederland zou dit bataljon financieren en voorzien van bij ons overbodig geworden materieel. Vervolgens zou dit Poolse bataljon onder Nederlands commando deelnemen aan vredesoperaties. Deze oplossing heeft natuurlijk een zeker vestzak-broekzakgehalte: op den duur wordt het potentieel dat de Navo aan vredesoperaties kan bijdragen niet verhoogd. Bedenkelijker is het dat dit voorstel een arbeidsdeling in het bondgenootschap suggereert. De westerse leden leveren de flashy high-tech luchtmacht en marine, de Oost-Europese leden de zandhazen voor de infanterie die het echte gevaarlijke werk mogen doen. Niet voor niets verdedigde in de Koude Oorlog elk Navolid een eigen grensvak. Dat onderstreepte de bondgenootschappelijke solidariteit. Deze solidariteit wordt door de voorgestelde arbeidsdeling doorbroken, de gehechtheid van de 'internationale gemeenschap' aan universele waarden wordt er door gecompromitteerd. Wanneer er niet voldoende Nederlanders te vinden zijn om de pretenties van de Nederlandse politieke gemeenschap, deelname aan vier vredesoperaties, militair waar te maken, dan moeten we zo eerlijk zijn die pretenties los te laten.

mailIcon print |