In het achterland van Roemenië ligt het plaatsje Issacea, een Roemeens dorp dat een halve eeuw lang officieel niet bestond. In de heuvels van Issacea ligt namelijk 'Tichilesti' verscholen, de laatste leprozenkolonie van Europa. Maar na de val van dictator Nicolai Ceauscescu komt er zelfs hulp uit het Westen.
Het bureau in de spreekkamer van Maria Popu is bezaaid met dossiers. Als hoofdverpleegster heeft zij de taak de gegevens bij te houden van de 28 leprozen die in dit hospitaal worden behandeld. ,,Het zijn voornamelijk bejaarden'', zegt ze. ,,De oudste is 92. Ze hebben hier bijna hun hele leven gewoond.''
Op de vraag hoe groot de besmettingskans voor onszelf is, legt ze uit dat 'haar' patiënten niet besmettelijk zijn. ,,Met de medicijnen van tegenwoordig sluit je besmetting uit en stabiliseer je het ziekteverloop.'' Zo was het natuurlijk niet altijd. De mensen in Tichilesti zijn er dan ook slecht aan toe. Bijna stuk voor stuk missen ze hun vingers. Ze zijn blind of lopen op één been, met behulp van krukken.
Het is lunchtijd als we de binnenplaats van het hospitaal oplopen. Aan weerszijden van het pleintje staan twee rijen witte huisjes met daarin de kamers van de patiënten. Ze wachten in groepjes op de banken voor de gemeenschappelijke keuken op het eten. Er wordt gemopperd. Het is woensdag vandaag en dan wordt er geen vlees gegeten. Ook de blinde Vasile Tarata (75) heeft geen goed woord over voor de bonenpap die hem even later wordt gevoerd. Hij stelt zich voor als de 'burgemeester van Tichilesti' en steekt zijn hand uit. Althans, wat daarvan over is. Zijn vingers zijn goeddeels verdwenen en tussen de kootjes van zijn duim en wijsvinger is de huid verkoold door de sigaretten die hij rookt.
Tarata woont al 54 jaar in Tichilesti, vertelt hij. Daarvóór studeerde hij in Moldavië, maar toen er lepra bij hem werd geconstateerd vluchtte hij hierheen. ,,Als leprapatiënt was je in die tijd je leven niet zeker. Ze probeerden je te vermoorden omdat men bang was voor besmetting'', legt hij uit. Hier vond hij rust. En medicijnen. Over de Ceauscescu-tijd die volgde kan hij kort zijn: ,,Hij heeft ons ontkend en verstoten. Maar hij heeft ons wel laten leven. En dat is mooi. Niemand zou het immers gemerkt hebben als hij ons had laten verdwijnen.''
Inmiddels is er wel het een en ander veranderd. ,,We krijgen af en toe wat hulp uit het buitenland'', zegt Maria Radulescu (73). Ze wijst naar een bestelbusje dat verderop staat. ,,Dat hebben we bijvoorbeeld van een Belgische hulporganisatie gekregen.'' ,,Hou toch op!'', roept de burgemeester. ,,Wat hebben we daar nou aan? Niemand van ons kan rijden!''
,,Ach, het is heus wel iets beter geworden'', zucht Lazar Chiselev (75). ,,Er zijn meer medicijnen en af en toe is er wijn. Ik zou alleen zo graag een rolstoel willen hebben. Ik loop al veertig jaar op krukken en mijn armen zijn zo moe. Hebben jullie in Nederland geen rolstoelen?''
Veel steun uit eigen land krijgen de leprozen niet. En dat is gezien de economische toestand waarin Roemenië verkeert ook niet zo verwonderlijk. Toch kwam vorig jaar de Roemeense regering opeens met een hulpplan. Er werd voorgesteld om de overgebleven kleding van de Ceauscescu's, een pakhuis vol, aan de leprozen te schenken. Maar de bewoners van Tichilesti weigerden het cadeau. ,,Wat moet een vrouw van 73 nou op hoge hakken?'', schatert Maria. ,,Ik heb niet eens voeten!'' De burgemeester kan er niet om lachen. ,,Dat was gewoon een goedkope verkiezingsstunt'', gromt hij. En vraagt nog een sigaret.
Wat er met Tichilesti in de toekomst zal gebeuren is onduidelijk. De bewoners willen onder geen beding ergens anders naar toe. Ze willen híer sterven. Na veertig jaar isolement zijn ze bang voor de buitenwereld. ,,Over vijftien jaar zullen de meeste patiënten wel overleden zijn'', verwacht verpleegster Maria Popu. ,,En daar wachten we dan maar op.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.