Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon. Is er iets, waarvan men zegt: Ziehier, dat is nieuw - het was er al in verre tijden, die vóór ons waren.' Gewapend met de 2300 jaar oude wijsheid van Prediker kiezen we op de laatste dag van de twintigste eeuw voor de 'oertijdwandeling' in de bossen rond het dorpje Lage Vuursche. Op zoek naar stille getuigen van voorouders die 'in verre tijden' dit gebied bewoonden.
De Vuursche bossen liggen op de noordpunt van de Utrechtse Heuvelrug - een stuwwal die in de Saale-ijstijd, zo'n 180.000 tot 160.000 jaar geleden, door voortstuwend ijs uit Scandinavië ontstond. De wal reikt van het Gooi tot aan Rhenen. Door zijn hoge ligging is de Utrechtse Heuverug altijd een uitstekende plek geweest voor bewoning. In de Oude Steentijd (circa 14.000 tot 8800 v. Chr) trokken, in wat toen nog een kaal toendralandschap was, jagers achter grote kudden rendieren aan het gebied binnen. In de omgeving van de Lage Vuursche zijn haardplaatsen en werktuigen aangetroffen uit de tijd van deze eerste bewoners.
Het klimaat veranderde, de toendra raakte bebost en de jacht maakte langzaam maar zeker plaats voor het boerenbedrijf. Uit deze overgangsfase naar de Nieuwe Steentijd (circa 5300 tot 2000 v. Chr.) is in de omgeving van Lage Vuursche niet zoveel bekend. Toch is dit gebied in die tijd en in de daarop volgende Bronstijd (circa 2000 tot 800 v. Chr.) zeker bewoond geweest. Twintig grafheuvels, in groepjes verspreid in het huidige bos, getuigen daarvan. De oudste heuvels zijn aangelegd in de laatste fase van de Nieuwe Steentijd, maar de meeste dateren waarschijnlijk uit de Bronstijd.
De oertijdwandeling voert langs zeker zeven van deze mysterieuze heuvels. Hoog zijn ze zeker niet, eerder fors uitgevallen dooiers van een spiegelei die, met een breedte van tien en een hoogte van twee meter, in hun eentje of in groepjes van twee of drie bescheiden opbollen tussen de bomen. Bijna dertig eeuwen lagen deze prehistorische graven onaangeroerd in de bossen, totdat in de negentiende eeuw schatgravers en oudheidkundigen hun nieuwsgierig oog erop lieten vallen. Op zoek naar kruiken, bijlen en natuurlijk liefst echte kostbaarheden, richtten zij al gravend veel schade aan de heuvels aan. Van de vondsten zelf zijn in veel gevallen alleen de enthousiaste beschrijvingen overgebleven. Zoals in de Utrechtse Almanak van 1838, waarin ds. L.G. Visscher verhaalt van de beenderen en 'ganse rij kruiken' die hij samen met jonkheer mr. F.L.H. Bosch van Drakenstein uit enkele heuvels opdiepte.
Maar ook serieuze oudheidkundigen hebben hun licht doen schijnen op de Vuursche grafheuvels. De hoofdrol in dat onderzoek was weggelegd voor Albert Egges van Giffen, een internationaal bekend grafheuvelexpert en tevens de beroemdste archeoloog die Nederland voortbracht. Van Giffen onderzocht in 1926 en 1927 zes grafheuvels op het landgoed Drakenstein, sinds 1959 eigendom van de huidige koningin. Enkele van deze heuvels zijn tijdens de wandeling heel goed vanaf de weg te zien.
'Er is niets nieuws onder de zon', zei Prediker zo'n 300 jaar v. Chr. Ook niet, zo blijkt, in de begrafenisrituelen waarvan twintigsteeeuwers en hun prehistorische voorouders zich bedienden. Bij de laatsten zien we een overgang van lijkbegraving in de Steentijd naar crematie van de doden in de Bronstijd. In het begin van 'onze eeuw' had opnieuw begraven de voorkeur, maar vanaf de jaren zestig, zeventig won cremeren weer aan populariteit en op de drempel van de eenentwintigste eeuw bestaan beide begrafenisrituelen naast elkaar.
Van Giffen ontfutselde nog meer wetenswaardigheden aan de grafheuvels. Uit de sprekende overeenkomsten tussen de door hem gevonden 'Drakenstein-urn', de eind negentiende eeuw ontdekte 'Hilversum-urnen' en Engels aardewerk uit dezelfde periode leidde hij af dat de 'Hilversum'- en 'Drakenstein-traditie' verwant waren aan de Engelse 'Wessex-cultuur'. Van deze cultuur is Stonehenge de meest aansprekende representant met zijn indrukwekkende kring van prehistorische megalieten. Zulke metershoge stenen zal de wandelaar op zijn route door de Vuursche bossen overigens nergens aantreffen, behalve dan misschien in zijn eigen levendige verbeelding.
De blauw gemarkeerde oertijdwandeling begint bij de parkeerplaats Pijnenburg, op de Hoge Vuurseweg, vlak bij de kruising met de Hilversumsestraatweg, die van Baarn naar Hilversum loopt.
Waarschuwing vooraf: zonder de volledige routebeschrijving is de wandelaar helaas gedoemd te verdwalen. Sommige blauwe stippen zijn nauwelijks meer te onderscheiden op de natte boombasten en op een deel van het traject ontbreken paaltjes en stippen zelfs geheel.
Wij besluiten niet bij Pijnenburg te starten, maar de tien kilometer lange rondwandeling halverwege op te pikken, in het dorp Lage Vuursche. Voordat we de door oude beuken geflankeerde Kloosterlaan inslaan, staan we even stil bij de eigenaardige steenconstructie voor café- restaurant 'De Lage Vuursche'. Een heidens altaar zou het volgens sommige oude verhalen geweest zijn. Over de vraag of de stenen als hunebed hebben gediend zijn de geleerden het nog steeds niet eens, maar over de herkomst van de stenen heerst inmiddels eenstemmigheid. De Vuursche stenen zijn niet neergelegd door prehistorische reuzen, noch 'ooit plotseling uit de grond opgekomen', maar zijn souvenirs uit de IJstijd-zwerfstenen, door het ijs meegevoerd uit Zweden of de huidige Oostzee.
Qua natuur is de oertijdwandeling niet erg afwisselend. Ze voert de wandelaar door bos, bos en nog eens bos: beuken, eiken, berken, kastanjes, dennen en sparren. Op een doordeweekse dag kan men echter verzekerd zijn van een heerlijk rustige wandeling en is er ruimte te over op de in het weekeinde afgeladen terrassen van Lage Vuursche.
De laatste kilometer voert ons uit het bos terug naar het dorp, langs kasteel Drakenstein, een mooie langhuisboerderij en niet te vergeten het Nederlands hervormde kerkje, een juweel van een kruiskerk. Hier geen grafheuvels meer, maar een bijbehorende begraafplaats die sinds 1659, het jaar van de stichting van de kerk, in gebruik is. Een van de interessantste graven is dat van de amateur-archeoloog/egyptoloog J.H. Insinger (1854-1918). De architect J.W. Hanrath ontwierp voor hem een grafmonument in Egyptische stijl met diverse figuraties en inscripties. Ook bevindt zich hier het graf van de familie Pieck, waarin de oer- Hollandse illustrator Anton Pieck (1987) ligt begraven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.