*

 
dossier

Archief

Het gaat niet goed met het bos, en toch weer wel

Hans Schmit − 28/01/00, 00:00

Europese landen verwaarlozen hun bossen, waarschuwde het Wereld Natuurfonds (WNF) vorige week. Nog maar twee procent van het Europese bosareaal verdient het predikaat 'natuurlijk'; in de overige bossen is de variatie aan planten- en diersoorten de afgelopen eeuwen dramatisch afgenomen. Nederland vormt geen uitzondering en scoort zelfs onder het Europees gemiddelde.

Het Nederlandse bos doet het goed, meldt de Stichting ProBos in het boekje 'Nederlands bos in beeld' waarvan staatssecretaris Faber (natuurbeheer) gisteren het eerste exemplaar in ontvangst heeft genomen. Het Nederlandse bos bevindt zich in een belangrijk stadium van zijn ontwikkeling, stelt ProBos vast: ,,Het verandert geleidelijk aan in de richting van een gevarieerde en multifunctionele groene gebruiksruimte.''

Het Nederlandse bos wordt steeds natuurlijker, het herbergt meer soorten planten en dieren, het wordt gemiddeld ouder, er ligt steeds meer dood hout en het is het rust- en stiltegebied voor miljoenen Nederlanders. Met meer dan tweehonderd miljoen bezoeken per jaar vervult het bos een belangrijke recreatieve functie. In de mensenwensen voor natuur staat het bos ruimschoots bovenaan, constateerde staatssecretaris Faber gisteren.

Het WNF en ProBos lijken met hun opvattingen over het bos lijnrecht tegenover elkaar te staan. Dat valt echter wel mee, zegt Arnold van Kreveld, manager bossen van het WNF: ,,We zijn het in zekere zin wel eens met deze constatering van ProBos. Nederland doet het wat betreft natuurlijkheid, bescherming, beheer en recreatie Europees gezien niet zo slecht. Onze bossen zijn toegankelijk en redelijk beschermd. Het zijn echter maar enkele van de 99 afzonderlijke criteria waarop onze Europese bossenranglijst is gebaseerd.''

Nederland begint al met een forse handicap omdat het in vergelijking met andere Europese landen maar heel weinig bos heeft. Het totale Nederlandse bosareaal omvat 339000 hectare -zo'n tien procent van het landoppervlak. Per inwoner komt dat neer op tweehonderd vierkante meter bos of zo'n twintig bomen per persoon. Dat is de laagste score van de negentien Europese landen die het WNF heeft beoordeeld. Het Nederlandse bos is vaak ook saai: veel opstanden bestaan uit slechts één soort boomsoort, doorgaans in hetzelfde jaar aangeplant. Meer dan de helft van het totale areaal bestaat uit naaldbomen en daarvan is weer verreweg het grootste deel ongemengd naaldbos.

Ook is de oppervlakte oorspronkelijk natuurlijk bos nihil: in 1868 ging de bijl in het laatste oerbos, het Beekbergerwoud. Vrijwel al het bos dat Nederland kent, is sindsdien door de mens aangeplant. Maar, stelt ProBos vast, de natuurlijkheid keert terug in de Nederlandse bossen. Het aantal naaldbomen neemt sterk af en het areaal gemengd loofbos neemt toe. Sinds 1986 zijn zestig bosreservaten aangewezen waar het bosbouwkundig onderhoud is gestaakt. In 80000 hectare ligt het accent op natuur en wordt geen hout meer gekapt. Wat dood gaat, blijft liggen. En in de bossen waar wél hout wordt geoogst, neemt de aandacht voor de natuur sterk toe.

Positieve ontwikkelingen, vindt ook Arnold van Kreveld van het WNF, maar die zijn toch niet voldoende om de score van Nederland op de bossenranglijst (zestiende met 45 van de maximaal 100 punten) op te vijzelen. Van Kreveld: ,,Een negatief punt is dat het Nederlandse bos sterk versnipperd is. Een voorbeeld daarvan is de Veluwe: dat zou een groot bosgebied kunnen zijn, maar je stuit om de paar kilometer op een hek. Het wordt niet als één bos beheerd maar als snippertjes. Een zwak punt aan de productiekant is de laagwaardige toepassing van goed hout. Omdat Nederlands hout een slecht imago heeft, wordt het vaak verpulpt. Wat het milieu betreft, scoort Nederland goed met het terugdringen van zwaveldioxide per hoofd van de bevolking, maar slecht wat betreft de stikstofoxiden.''

Het uitgangspunt voor de criteria die het WNF hanteert, is duurzaamheid. En die wordt volgens ProBos (nog steeds) bedreigd. Voor een vitaal en gezond bos zijn een goede vochtvoorziening en een evenwichtig aanbod van voedingsstoffen noodzakelijk. Maar de afgelopen jaren zijn deze basisvoorwaarden, aldus ProBos, ernstig verstoord door de daling van de grondwaterstand en door de luchtverontreiniging.

De vitaliteit van het bos staat onder druk: 75 procent van de bossen die onder invloed staan van het grondwater, is verdroogd, 90 procent is gevoelig voor verzuring en ruim 50 procent voor vermesting. Een voorbeeld van afnemende vitaliteit vormt de hoge sterfte van eiken in de terreinen van Natuurmonumenten: in 1998 bestond 3 procent van het bomenbestand uit dode eiken, tegen 0,5 procent in de voorgaande jaren.

De eiken hebben door verzuring en vermesting een verminderde wortelgroei, waardoor ze gevoeliger zijn voor droogte. Daardoor zijn ze kwetsbaar en kan de vroeger zeldzame tweestippige eikenprachtkever zijn slag slaan. De larven van dit kevertje graven vlak onder de schors gangetjes waardoor het transport van water (en voedsel) naar de kroon wordt geblokkeerd en de verzwakte boom ten dode is opgeschreven.

Het bos overleeft het voorlopig nog wel, verwacht ProBos. Maar er zullen wel scherpere milieumaatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de schade toeneemt en de natuurwaarden verder afnemen.

mailIcon print |