*

 
dossier

Archief

brandweerkazerne

door Edwin Kreulen − 27/01/00, 00:00

'Je bent er wel, maar je bent er ook niet.' Een stagair bij de brandweer mag kleine branden zelf blussen en bij het grote werk meedoen. Ronald de Graaf, die verschillende keren moest uitrukken in de kerstnacht van afgelopen jaar maar lang niet altijd vuur tegenkwam: ,,Je hoopt toch diep in je hart dat er wat te blussen valt.''

,,Deze persoon telt niet mee voor onze sterkte'', zegt brandweercommandant Hans Blom aan de telefoon. ,,Je bent er wel, maar je bent er ook niet'', zeggen de Utrechtse brandweermannen tegen hun stagiair Ronald de Graaf. ,,Ach, als je dan toch in een brandende kamer komt, mag je ook wel een beetje lucht gebruiken uit het gasmasker, hoor.'' Ronald telt vandaag - de dag voor Kerstmis, zijn zesde stagedag - volwaardig mee als 'nummer drie' van de ploeg in het centrum van de stad. Maar Ronald telt niet mee voor de sterkte. Postcommandant Blom, die de nummers iedere werkdag opnieuw verdeelt, wil voorkomen dat hij een man moet uitlenen aan een andere ploeg, 'omdat hij er toch eentje te veel heeft'.

'Ploeg A' heeft vanochtend om acht uur de dienst overgenomen van een van de andere drie ploegen. De zes brandweermannen, één brandweervrouw en de stagiair zijn de komende 24 uur in functie: acht uur werken, acht uur rusten en acht uur slapen. Tenzij de ploeg natuurlijk moet uitrukken. Na een etmaal werken zijn ze twee dagen vrij. Rust en slaap worden maar voor een deel als werk geteld, zodat de brandweerman gemiddeld op een volledige werkweek uitkomt.

,,De vloer van de tankauto voorin is niet schoongemaakt'', meldt commandant Blom om elf uur aan Ronald, die met een aantal collega's belast was met schoonmaak van de gloednieuwe brandweerwagen. Het is tijd voor koffie. Blom vraagt zijn vaste mensen om op een formulier in te vullen waar ze tijdens de jaarwisseling en op nieuwjaarsdag bereikbaar zijn - 'Jongens, het gaat nu even om een stukje informatie' - want de ploeg staat reserve. ,,Ik hoef er niet bij te zijn, maar ik heb wel zin om zo rond twee uur 's nachts naar de kazerne te rijden en alles mee te maken'', zegt Ronald.

Na de koffie gaat de ploeg sporten - de brandweer moet in conditie blijven - maar Ronald mag met de collega's van de post in Utrecht-Zuid mee naar het zwembad, om zijn debuut als duiker te maken. ,,Het is een leuke ploeg. Deze mensen zijn soms al twintig jaar steeds 24 uur bij elkaar, dus je moet niet gelijk verwachten er als hun beste vriend tussen te komen. Je moet je opstellen als iemand die nog weinig weet en alles wil leren en niet als iemand die later officier wordt en het toch wel beter weet'', zegt de stagiair in de auto. ,,Maar de brandweer is heel collegiaal, dat vind ik een van de leukste dingen. En het is geen negen-tot-vijf-werk.''

Ronald is in opleiding bij de academie van het Nibra, het Nederlands instituut voor de brandweer en rampenbestrijding. Hij werkte bij een ingenieursbureau en studeerde bedrijfskunde op de hogeschool, toen hij koos voor de brandweer. Daarvoor werkte hij als beroeps bij de luchtmacht. ,,Ik kon ook bij de marine, maar de brandweer biedt een vaste baan. Het was voor mij nooit een jongensdroom, voor bijna niemand op school trouwens.'' Op de academie, zeg maar de hogeschool van de brandweer, wordt Ronald in dertien maanden opgeleid als officier. Het liefst wordt hij later 'ooveedee' - officier van dienst. ,,Dan moet je bij grote branden de aanpak coordineren, overleggen met verschillende korpsen, de politie, GGD en ga zo maar door. Ook 'regionaal officier gevaarlijke stoffen' lijkt me wel wat. Maar dat is voor later.''

Bij het collega-korps in Utrecht-Zuid stapt Ronald in de brandweerwagen: op weg naar het zwembad. Als de brandwachten gaan sporten of oefenen, nemen ze altijd hun wagen mee: er kan immers altijd een brandmelding komen. ,,Oh, m'n uitrukkleding vergeten'', ontdekt de stagiair. Terwijl hij een paar minuten duikt onder begeleiding, dobberen de collega's vrolijk rond in het bad: het is bijna Kerstmis, dus ze hoeven niet meer zo fanatiek hun baantjes te trekken. ,,Hadden jullie nou laatst dat vrouwtje uit IJsselstijn die zelf in het kanaal was gesprongen?'' informeren ze bij elkaar. Na een paar minuten duiken heeft Ronald pijn aan zijn oren en komt hij even boven. ,,Het gaat om een stukje kennis van de apparaten en van de natuurkunde'', zegt zijn instructeur wanneer ze weer aan wal zijn gekomen. ,,Echt leuk hoor, dat duiken'', zegt Ronald.

Terug in het centrum is het tijd voor de lunch: met de trap naar boven. Collega's van Ronald zijn vroeger nog bij brandmelding langs een paal naar beneden gegleden. ,,Maar dat kostte toch best wel veel tijd, en soms viel je op elkaar'', zegt een van hen. Daarom is er nu de trap: vanuit bed twee verdiepingen naar beneden.

Na de lunch legt Blom het nieuwe watertransportsysteem uit. Dat is niet alleen voor Ronald van belang. Het is deze keer alleen theorie. Elke middag oefent de groep, behalve wanneer een dienst in het weekeinde valt. Het lijkt een rustige dag te worden. Ronald en collega's kunnen zich gaan wijden aan de televisie en het tafeltennis. Maar halverwege het avondeten klinkt het alarm en springt de ploeg in de wagen. Het blijkt te gaan om een brandje in een vuilcontainer naast een flat. Geen gecompliceerde brand en daarom mag Ronald de zaak blussen met de hogedrukspuit, verbonden met de tankauto. Leuk om te doen, vindt hij.

Later op de avond mag Ronald een woonhuis binnen. De bewoners hadden een babyslaapzak op de kachel te drogen gehangen, maar zijn de brand die dat veroorzaakte al zelf meester. Ronald en zijn commandant controleren of het vuur echt is uitgegaan. Om halfvijf 's ochtends moet de ploeg de deur uit omdat het stormt en een boom over de spoorbaan op de Maliebaan is gevallen. Het kost veel tijd om de boom weg te zagen: de ploeg is om half zeven weer terug, als de dienst bijna is afgelopen.

Verschillende keren op kerstavond zal het gaan om loos alarm: een brandend kerststukje, kaarsen. Ronald: ,,Zeker negen van de tien keer blijkt er toch geen brand te zijn. Mensen steken voor de grap sterretjes aan, in een verzorgingstehuis staan kaarsen net onder de brandmelder. Steeds meer gebouwen hebben een automatische brandmelding en dat vind ik heel goed, maar het is niet goed voor je motivatie. Ook als je de veertigste keer een melding krijgt van hetzelfde adres, moet je toch uitrukken. Je wenst natuurlijk niemand brand in zijn huis toe, maar ik denk dat een brandwacht in het diepst van zijn hart toch hoopt dat er iets te blussen valt.''

mailIcon print |