De Nieuwe Economie heeft toegeslagen. De Verenigde Staten breken een record van onafgebroken economische groei. Als februari voorbij is, zal de economie 107 maanden achter elkaar zijn gegroeid. En dat in vredestijd. Het laatste record van 106 maanden dateert van de jaren zestig, toen de Vietnamoorlog de economie een stevige impuls gaf.
Het einde van de groei is niet in zicht. Sterker nog, het gaat almaar harder. De afgelopen drie jaar was de groei 4 procent per jaar, de laatste drie maanden van 1999 zelfs 5,8 procent. Sinds de opleving in 1991 begon zijn er 20 miljoen banen bij gekomen. De werkloosheid is gezakt naar 4 procent. De inflatie, die bij dit soort cijfers eigenlijk allang roet in het eten had moeten gooien, houdt zich nog altijd gedeisd.
Door de ongekende prestaties van de Amerikaanse economie, krijgt de gedachte dat er een Nieuw Tijdperk is aangebroken steeds meer aanhangers. Dankzij computers en internet kan de economie langdurig hard groeien zonder oververhit te raken, denken ze. Na de stoommachine, de elektriciteit en de auto is er nu de technologische revolutie die de wereld in ongekende welvaart zal dompelen, te beginnen bij de VS.
De Nieuwe Economie was tot vor kort vooral het terrein van internetgoeroes, zonnig gehumeurde webonomen en andere optimisten. Inmiddels moeten zelfs beroepsrelativisten als centrale bankier Alan Greenspan toegeven dat er met de Amerikaanse economie 'iets aan de hand is'.
Wat dat 'iets' dan is, valt nog niet zo eenvoudig te bepalen. Neem de langdurig lage inflatie. Daar zijn allerlei redenen voor aan te voeren die weinig met internet en computers hebben te maken. Sinds 1983 reageert de Fed, het Amerikaanse stelsel van centrale banken agressiever op oplopende inflatie. Door dat langdurige strakke beleid is de angst voor inflatie vrijwel verdwenen. Ook elders in de wereld zijn de centrale banken de prijsstijgingen harder te lijf gegaan. De hoge werkloosheid begin jaren negentig lokte bovendien loonmatiging uit. Daarnaast is de Amerikaanse economie twee jaar geleden bijtijds wat afgekoeld door de Azië-crisis. Ook daalden daardoor wereldwijd de prijzen van grondstoffen, waardoor de inflatie laag kon blijven.
Een andere reden voor de lagere prijzen zou de toegenomen concurrentie zijn. Door het opruimen van handelsbarrières en scherpere strijd om de klanten, zijn bedrijven gedwongen de kosten te verlagen. Dat wereldwijde snijden in de uitgaven heeft de prijzen laag gehouden. Pas hier komt de nieuwe technologie om de hoek kijken. Computers maken het mogelijk 'precies op tijd' te leveren waardoor minder geld opgaat aan het aanhouden van voorraden. Internet geeft bedrijven en consumenten de kans de goedkoopste leverancier op te zoeken en daar de bestelling te doen. Maar hoeveel computers en internet bijdragen aan het beteugelen van inflatie is niet te zeggen.
Hetzelfde gaat op voor de productiviteit. Die is de laatste paar jaar flink gestegen in de VS. Mede daardoor konden de lonen stijgen zonder dat er inflatie ontstond. Terwijl de aanhangers van de Nieuwe Economie dit heil al vooral op het conto van computers en internet schreven, kwam de Amerikaanse econoom Gordon vorig jaar met een ontnuchterende analyse: De productiviteit is wel toegenomen, maar vooral in de computerindustrie zelf, schreef hij. Dat gebeurt vaker in relatief nieuwe bedrijfstakken. Dat de technologie ook de andere sectoren tot grote prestaties aanzet is tot nog toe niet bewezen.
Zo blijft de discussie over de Nieuwe Economie er één van gelovigen, ongelovigen en bijna-bekeerden. Harde bewijzen voor het bestaan van een fundamenteel nieuw tijdperk zijn moeilijk te geven. Het kan heel goed dat de economie zich naar het hoogtepunt van een lange-termijngolf beweegt, stelt een aantal economen met de geschiedenisboeken in de hand. De opleving is dan weliswaar langdurig, maar de golf gaat weer een keer naar beneden. Bovendien, vragen de sceptici zich af, wat stelt die interneteconomie nou helemaal voor? Een grote internetondernemer als Amazon.com verkoopt gewoon papieren boeken en lijkt meer op een veredeld postorderbedrijf. De internetbedrijven die als paddestoelen uit de grond schieten en van het internet één groot advertentieparadijs denken te maken, adverteren zelf vooralsnog op gevestigde media als radio en tv.
De hoge verwachtingen van internet en de Nieuwe Economie zijn deels een self-fulfilling prophecy. De koersen van internetbedrijven op de effectenbeurs zijn tot gigantische hoogten gestegen. Dat werpt de vraag op of de Amerikaanse economie niet eigenlijk een ouderwetse zeepbeleconomie is, zoals de Japanse economie eind jaren tachtig. Mede door de hoge aandelenkoersen - niet alleen in de technologiesector - is de Amerikaanse economie zo hard gegroeid. Bijna de helft van de Amerikaanse huishoudens bezit aandelen. Dankzij de koerswinsten is de consumptie één van de aanjagers van de groei geweest. Alan Greenspan zit nu met de vraag hoe de economie een 'zachte landing' kan maken. Vorige week verhoogde hij het belangrijkste rentetarief met een kwart procent maar veel heeft dat niet uitgehaald.
Het zelfvertrouwen van de Amerikaanse leiders heeft door de economische prestaties een aardige opkikker gekregen. ,,Waar blijven Europa en Japan'', vroeg minister van financiën Summers zich eind januari af op de G7, de bijeenkomst van grote industrielanden. Als ze niet snel de VS volgen en meedoen aan de 'internetrevolutie' riskeren ze een toestand van economische middelmatigheid, dreigde hij.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.