Dat zeldzame dieren en planten steeds zeldzamer worden, is geen nieuws. Soorten die kieskeurig zijn op hun groeiplaats of leefplek, worden bedreigd door de manier waarop wij met het landschap omgaan. Verdroging, vermesting en verzuring zijn de voornaamste oorzaken van de achteruitgang van de natuur.
Veel dieren en planten profiteren juist van verdroging, vermesting en verzuring, vaak omdat zij minder concurrentie ondervinden van kritische soorten. Daardoor lijkt de natuur soms rijker geworden dan vroeger. Als kind zag ik spechten alleen in het bos. Boomkruipers, staartmezen en gaaien waren geen alledaagse tuinbezoekers zoals tegenwoordig. Veel vogelsoorten trekken voordeel van de groene aanleg in nieuwe woonwijken. Blauwe reiger, meerkoet en fuut hebben zich volkomen aangepast aan onze woonomgeving.
Insecten varen ook vaak wel bij de tegenwoordige groencultuur en de wijd verbreide weerzin tegen bestrijdingsmiddelen. In het algemeen betreft het soorten die al niet zeldzaam waren. Maar juist onder de insecten zijn veel kritische soorten, die zich in het tegenwoordige Nederlandse landschap niet meer thuisvoelen.
Alleen van een paar populaire insectengroepen, zoals dagvlinders en libellen, is de status min of meer bekend. De laatste jaren wordt ook meer onderzoek gedaan naar hommels en wilde bijen.
Specialistenwerk
Betrouwbare informatie over de precieze stand van zaken is voor de meeste insecten moeilijk te krijgen. Natuurbeschermers die bedreigde insecten willen beschermen, lopen aan tegen het probleem dat insecten in veel gevallen niet onomstotelijk in het veld te herkennen zijn. Insecten kun je eigenjlijk alleen goed identificeren met een microscoop, dus moeten ze gevangen en gedood worden alvorens ze bestudeerd kunnen worden. Dat is specialistenwerk, dat vaak afhangt van personen die uit liefhebberij een kleine insectengroep, bijvoorbeeld alleen zweefvliegen, bestuderen.
Veel soorten worden over het hoofd gezien en daarom als uiterst zeldzaam beschouwd. Als de aandacht op een enkele vindplaats valt, worden er vaak meer ontdekt en blijkt de soort helemaal niet zo zeldzaam te zijn. Een plezierige verrassing door gebrek aan kennis. Maar gebrek aan kennis kan er ook toe leiden dat een soort geruisloos uitsterft.
Kleine actieradius
Onder de insecten zijn befaamde trekkers. Verschillende vlinder- en libellensoorten vliegen over enorme afstanden van het ene naar het andere gebied. Maar het leeuwendeel van de insecten heeft een kleine actieradius, zelfs als ze kunnen vliegen, wat bij de meeste volwassen insecten het geval is. De vleugelloze larven begeven zich vaak nauwelijks van de plaats waar ze uit het ei kwamen.
Insecten leven vaak van een of een paar plantensoorten. Of ze parasiteren op maar een paar diersoorten. Ze hebben zich gespecialiseerd in een heel eigen leefwijze. Omdat ze elkaar niet beconcurreren, kunnen veel soorten op een beperkt terrein bijeen leven.
Die specialisatie brengt ook gevaren met zich mee. Als een plant zeldzaam wordt of uitsterft, gebeurt hetzelfde met het insect dat voor zijn voedsel van die plant afhankelijk is. Stel dat een parasiterend insect alleen in dat uitstervende insect eitjes legt, dan gaat de parasiet dezelfde weg. Meestal is de parasiet al eerder uitgestorven dan de gastheer, omdat de klaploper de waard door zijn zeldzaamheid niet meer kon vinden.
Eikenhakhout
Om te overleven hebben insecten geschikte woonplekken nodig. Als het beheer van het landschap verandert, betekent dat vaak dat soorten verdwijnen. Het vliegend hert, bijvoorbeeld. Voor de leerlooierij had men vroeger eikenschors nodig. Om de paar jaar werden lange eikentakken gekapt en geschild. Door dat kappen ontstond eikenhakhout, struiken met een soms eeuwenoude stoof dicht bij de grond. Tegenwoordig worden voor het leerlooien anilinestoffen en chroomzouten gebruikt, waardoor de hakhoutcultuur overbodig is geworden. In de vermolmende stobben van het hakhout leefden de larven van het vliegend hert. Zulke oude stobben kwamen ook voor in houtwallen, waar eiken regelmatig werden afgezet. Houtwallen werden opgeruimd als sta-in-de-wegs. En met het eikenhakhout en de houtwallen verdween ook het vliegend hert.
Vitale populatie
Een jaar geleden schreef ik dat deze opzienbarende kever nagenoeg uitgestorven was binnen onze landsgrenzen. Eerlijk gezegd vreesde ik dat het dier in ons land het jaar 2000 niet zou halen. Wel net over de grens, in het Bentheimer Wald en in het Hasbrucher Urwald, waar de indrukwekkende ruïnes van bijna duizendjarige eiken staan te vergaan. De eikenmolm is een luilekkerland voor de larven van vliegende herten.
Lezer D.Hoekstra uit Almelo attendeerde mij er na mijn pessimistische ontboezeming op dat er nog een vitale populatie leeft in Twente. In de zomer van 1996 werden daar maar liefst 31 mannetjes en 32 vrouwtjes geteld. Het moeten er nog veel meer zijn geweest, want de vele vliegende herten die 'savonds rondsnorden waren niet bij de telling betrokken.
De kevers kwamen voor in een heel beperkt gebied: van alle 63 getelde vliegende herten werden er maar drie aangetroffen buiten een blok van een vierkante kilometer. Daarom hadden entomologen deze populatie niet eerder ontdekt.
Verkeersslachtoffers
Hoe belangrijk eikenhakhout en oude houtwallen zijn voor het voortbestaan van het vliegend hert, bleek overduidelijk. Veel kevers werden doodgereden op de weg naast een oude houtwal. Een deel van die houtwal is enige jaren geleden gesloopt. Daar viel geen enkel verkeersslachtoffer. Waar de wal zich voortzette, vielen prompt weer doden.
Voor het vliegend hert is het gelukkig niet te laat. Vrijwilligers houden Veluwse en Twentse houtwallen in stand en kappen regelmatig delen van Zuid-Limburgse hellingbossen. Daar in Zuid-Limburg zijn in de afgelopen tien jaar verscheidene vliegende herten aangetroffen en op de Veluwe wordt de imposante tor nog elk jaar gesignaleerd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.