Sinds Bolkestein in augustus 1992 de strijd aanbond met derde-wereldfenomenen als polygamie, weduwenverbranding en bloedwraak en hij zich in het algemeen tegen de oprichting van islamitische scholen keerde, lijkt me het tolereren van een tulband in de politiegelederen een zacht eitje. Gun politieagenten die dat willen toch hun keppeltje, tulband of hoofddoekje. Waar zullen we ons druk over maken?
Mijn toegeeflijkheid voor dit, inmiddels met veel bijval begroete, idee van de Flevolandse politiechef Horstmann om op deze originele manier de uniformiteit van het uniform te doorbreken, kreeg zelfs vleugels toen ik gisteren in Trouw las hoe VVD-senator Heleen Dupuis de fakkel bleek te hebben overgenomen van Bolkestein. Met dezelfde quasi-argeloosheid als de oud-VVD-leider ('je moet toch iets ter discussie kunnen stellen?') trok ze van leer tegen de mogelijke oprichting van fundamentalistische, islamitische scholen. Vrijheid van onderwijs prima, maar moeten we die ook gunnen aan groeperingen die de democratische rechtstaat en de Grondwet verwerpen? Die in feite zeggen: weg met de vrijheid van godsdienst, weg met de gelijke behandeling van man en vrouw en weg ook met het respect voor mensenrechten. Het liefst zouden ze de democratie inruilen voor een theocratie, aldus Dupuis.
Tulband en theocratie samenvattend zien we toegeeflijkheid aan de ene kant en een neiging tot verbod aan de andere kant. Dat roept de vraag op waar en hoe de grens te trekken. En een grens is er, want een samenleving kan nog zo tolerant zijn, als de basis van het samenstellende geheel met voeten getreden wordt, dreigt gevaar. Dat wordt niet geaccepteerd. Die gezamenlijkheid is vastgelegd in de wet, waar iedereen zich dus aan te houden heeft. Theocratie en de daaruit voortvloeiende onverdraagzaamheid, jegens vrouwen, godsdiensten en mensenrechten staan al gauw op gespannen voet met de wet. De vraag is dus gerechtvaardigd of we scholen moeten accepteren die leerlingen leren de wet aan de laars te lappen.
Tot zover kan ik Dupuis volgen. Ze komt echter in moeilijkheden met de vraag hoe ze dan aankijkt tegen sommige orthodox-christelijke en orthodox-joodse scholen. Zij redt zich eruit met de opmerking dat die groeperingen al heel lang deel uitmaken van onze samenleving. Dat is waar, maar het werkelijke argument is natuurlijk dat ze hun vrouwvijandigheid, hun verzet tegen de democratie, hun minachting voor de grondwet niet in daden omzetten. We laten ze met rust, zolang ze het niet te gek maken, of anderzins een bedreiging vormen.
Kijken we vervolgens naar de tulband in het politiekorps. Ook daar doet de redenering opgeld: laat ze toch, als ze zich daarmee prettiger voelen. Dat laatste lijkt zelfs mooi meegenomen, want de politiekorpsen smeken om personeel. Om die reden heeft een Utrechtse politiechef jongelui al eens bekeuringen willen laten uitdelen. Als je met een hoofddoekje de loper kunt uitrollen voor allochtonen, sla je zelfs twee vliegen in één klap: meer allochtonen in dienst zonder dat je het daar heersende allochtoon-vijandige klimaat hoeft aan te passen.
Je zou echter ook kunnen bedenken dat het hoofdoekje niet alleen onpraktisch is (je kunt ermee gewurgd worden), gezagsondermijend werkt, of zelfs als een lap op een stier op randgroepjongeren, het hoofddoekje is soms ook symbool voor intolerantie. Vrouwen die zich daarmee tooien schikken zich niet zelden naar de vrouwvijandige, theocratische opvattingen van hun groepering. En daarmee zijn we weer terug bij Heleen Dupuis: het niet ongevaarlijk klakkeloos iedere wens van minderheidsgroepen te honoreren.
Het zal mij daarom benieuwen wat mevrouw Bolkestein van het hoofddoekje van de politie vindt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.