Vorige week vertelde ik dat ik weinig geef om het werk van Dostojevski.
Zijn vrome gebeuzel over Christus en de christelijke waarden vind ik dodelijk vermoeiend. Ook zijn verheerlijking van Rusland verveelt me. Volgens Dostojevski was geen volk zo geniaal, zo deugdzaam en zo hoogbeschaafd als het Russische. Intussen wemelt het in zijn boeken van Russische schurken, Russische sadisten, Russische zuiplappen en Russische zwendelaars. Nergens in de wereldliteratuur ontmoet je zo veel menselijk uitschot als in de romans van Fjodor Dostojevski. Zelfs de kinderen zijn slecht. In 'De gebroeders Karamazov' wordt beschreven met welk spelletje Russische dorpsmeisjes zich 's winters vermaken: 'als het dertig graden vriest dan halen ze een onnozele hals over om aan een bijl te likken. De tong vriest er onmiddellijk aan vast en als de stommeling hem dan lostrekt is de huid tot bloedens toe kapot'. Toch beweert Dostojevski in alle ernst dat het Russische volk een volk van heiligen is, het enige volk op aarde 'dat God in zich draagt'.
Er is nog iets aan Dostojevski dat me tegenstaat. De man was antisemiet, en niet zo'n klein beetje. Hij stelde de joden willens en wetens in een kwaad licht. Ik heb het nu niet over de joden die hij liet opdraven in zijn boeken. De joodse romanfiguren van Dostojevski kwamen er weliswaar ongunstig af, maar dat was in zijn tijd gebruikelijk. De joden in 'Oliver Twist' van Dickens en 'Taras Boelba' van Gogol zijn ook niet bepaald types met wie je gezellig aan de wandel zou willen gaan. Kruiperige creaturen zijn het, met een misdadige inborst en een afstotelijke aanblik, die stinken als een mesthoop en die profijt slaan uit de ellende van fatsoenlijke christenzielen. De demonisering van de jood in de literatuur heeft ongetwijfeld veel schade aangericht. Maar je kunt het standpunt verdedigen dat zulke joden een product zijn van de dichterlijke fantasie en dat ze ook als zodanig moeten worden opgevat.
Nee, het gaat mij om het antisemitisme waarvan Dostojevski blijk gaf in het leven van alledag. In zijn correspondentie ontpopt hij zich als een pathologische jodenhater. Niet alleen is hij ervan overtuigd dat joden sinistere samenzweerders zijn die Rusland in het verderf willen storten. Hij meent ook dat zij het op hem persoonlijk hebben gemunt. Tijdens een verblijf in de Duitse stad Ems verliest Dostojevski zijn paraplu. Hij koopt een nieuwe, maar even later vindt hij het oude exemplaar weer. Vervolgens gaat hij naar de winkel om de nieuwe paraplu te retourneren. Tot zijn verontwaardiging weigert de eigenaar de koopwaar terug te nemen. Over dit voorval bericht Dostojevski in een brief aan zijn vrouw. Hij is woedend op de eigenaar van de winkel, 'een schurk van een jood'. In dezelfde brief klaagt hij over hotelgasten in de kamer naast de zijne: een jodin en haar zoon, die lange gesprekken voeren met elkaar. Volgens Dostojevski doen ze dat krijsend 'als een menigte in een synagoge'. Op zekere avond roept hij luid: 'Ach, die vervloekte joden, wanneer laten ze me toch slapen!' En zo gaat het maar door. Na een bezoek aan de Duitse hoofdstad verzucht hij dat Berlijn 'zo vreselijk aan het verjoodsen' is. Tijdens de treinreis erheen krijgt hij gezelschap van een opdringerige jood, die urenlang over niets anders praat dan zijn aambeien. Kortom, overal liggen joden in hinderlaag om de arme Dostojevski het leven zuur te maken.
In de brieven van Toergenjev en Tsjechov zul je vergeefs naar dergelijke uitlatingen zoeken. Het vulgaire antisemitisme van Dostojevski is grotesk. Je kunt je er nauwelijks kwaad om maken, hooguit meewarig je schouders ophalen. Misschien moet je hem zelfs met terugwerkende kracht dankbaar zijn. Want zijn grove laster aan het adres van de joden heeft een verrassende bijwerking: hij maakt er alle antisemieten onsterfelijk belachelijk mee.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.