*

 
dossier

Archief

Achter de bergen liggen méér bergen

Ton Crijnen − 10/01/00, 00:00

De laatste Amerikaanse troepen zullen eind deze maand Haïti verlaten en ook de VN-vredesmacht pakt zijn biezen. Vanaf dat moment moet het land politiek en sociaal-economisch weer op eigen benen staan. Maar kan het dat ook? Verslag uit het rijk der hopeloosheid.

Wie op het vliegveld van Miami het toestel naar Port-au-Prince wil nemen, stuit op een veelzeggend fenomeen. Een groot bord in de vertrekhal laat Amerikaanse staatsburgers weten dat een bezoek aan Haïti op eigen risico geschiedt. Ruim vijf jaar nadat president Clinton twintigduizend mariniers naar de kleine eilandstaat stuurde to restore democracy (om er de democratie te herstellen) lijkt men zelfs in Washington te beseffen dat het experiment niet helemaal is gelukt. Overigens blijkt dat geen reden de troepen nog langer te laten blijven. Eind deze maand vertrekt het laatste contingent, Haïti in uitzichtloze chaos en ellende achterlatend.

Bij aankomst in de hoofdstad Port-au-Prince (twee miljoen inwoners) wordt direct duidelijk waarom dit Midden-Amerikaanse landje, dat het eiland Hispaniola deelt met de grotere en welvarender Dominicaanse Republiek, een van de allerarmste gebieden ter wereld is. In het vervallen centrum, gelegen rond een vervuilde baai, zoekt in de zinderende hitte een krioelende mensenmassa moeizaam haar weg tussen honderden half doorgeroeste personenwagens en propvolle taxibusjes, die behendig de bergen vuilnis, stront en rottend fruit ontwijken. Af en toe stuurt de burgemeester vrachtwagens om de ergste rotzooi op te ruimen.

Dat is het enige wat de bevolking van haar stadsbestuur merkt, want aan herstel van sanitaire voorzieningen, aan onderhoud van wegen, het laten functioneren van telefoon en telex, laat staan aan openbare veiligheid wordt niets gedaan. De door Amerikanen, Canadezen en Argentijnen getrainde politie laat zich weinig zien. En als dat al gebeurt, zelden op een goede manier. Daarvan getuigen gemartelde arrestanten en doodgeschoten betogers. En dan zijn er de berichten dat hoofdstedelijke agenten zich bezighouden met het veiligstellen van de drugslijnen (cocaïne) die van Colombia via Haïti naar de VS lopen.

Pierre Espérance, hoofd van de mensenrechtenorganisatie National Coalition of Haitian Rights (NCHR) die deze gegevens verstrekt, constateert: ,,De tientallen miljoenen dollars die de afgelopen vijf jaar in de opbouw van een modern politie- en rechtssysteem zijn gestoken, had men net zo goed in zee kunnen gooien. De VS hebben verzuimd de nieuwe agenten te screenen. Ook zijn de knokploegen van vader en zoon Duvalier (de touton macoutes) en de milities van de latere militaire dictator Raoul Cédras (1991-1994) niet ontwapend. Daardoor regeert momenteel de straat.''

Gevolg: wie het kan betalen huurt veiligheidsmensen in om zich tegen overvallen van de talloze zenglendos (criminele bendes) te beschermen. En dus staan er twee met machinepistolen bewapende wachten voor de pizza-zaak op de Champ de Mars en drentelen binnen nogmaals twee rambo's tussen de tafeltjes door. 's Nachts hoor je in de stad schoten, waarna 's morgens de lijken op straat liggen. Overdag is het evenmin veilig. Menigeen wordt ook dan bij een stoplicht uit auto of taxi gesleurd, om vervolgens, al dan niet met een kogel door het hoofd, berooid achter te blijven. De daders worden zelden gearresteerd. En als dat al gebeurt zijn ze, mits goed bij kas, in een mum weer uit de cel, vrijgesproken door corrupte rechters.

De leefsituatie in de hoofdstad - de afschuwelijke sloppenwijken uitgezonderd; stinklende doolhoven vol menselijke ellende - is echter heilig vergeleken bij die op het platteland. Daar blijkt van behoorlijke wegen al evenmin sprake als van schoon drinkwater, adequaat onderwijs of een behoorlijke gezondheidszorg. Toch wordt de schijn hoog gehouden. Zo staan aan de route nationale, de enige verkeersader die het noorden van het land met het zuiden verbindt, reclameborden voor luxe inbouwkeukens.

En dat terwijl de door diepe kuilen en kapot asfalt nauwelijks begaanbare weg langs dorpen voert, vol lemen hutten met golfplaten daken waar magere, sjofel geklede mensen met zichtbare moeite proberen het hoofd boven water te houden. ,,En'', constateert Pierre Espérance, ,,niemand van de regering of de oppositie die zich ook maar één seconde om hun lot bekommert. Ook de VN hebben Haïti geen stabiliteit en welvaart gebracht. Al die functionarissen strijken dikke salarissen op, maar ze doen niets.''

Gabriel Magloire blijkt het daar mee eens. ,,Er heerst totale anarchie.'' Magloire is van huis uit socioloog, maar werkt thans als assistent-manager bij een uitgebreid onderwijsproject dat de paters salesianen in Cité Soleil, een van de twee beruchte sloppenwijken in Port-au-Prince, hebben opgezet. Hij legt uit: ,,Wij, Haïtianen, kennen geen zelfdiscipline, geen verantwoordelijkheidsbesef, geen nationaal bewustzijn. Vandaar dat we van oudsher, eigenlijk al vanaf het moment dat de zwarte ex-slaaf Jean-Jacques Dessalines hier in 1803 de onafhankelijkheid uitriep en zichzelf tot keizer kroonde, bestuurders hebben die uitsluitend op goor eigenbelang zijn ingesteld.''

Volgens Magloire heeft de aanwezigheid van de Amerikanen (vanaf 19 september 1994), en in hun kielzog de VN, daar nauwelijks iets aan veranderd. ,,De militaire dictatuur is ingeruild voor een democratisch bewind, maar dat heeft in materiële zin weinig opgeleverd. Ondanks alle westerse hulporganisaties die hier zijn neergestreken, is zeventig procent van de mensen nog steeds zo arm als een kerkrat.''

In plaats van de eigen landbouw te stimuleren - zeven van de tien Haïtianen werken in de agrarische sector - kiest de regering ervoor het meeste voedsel duur van overzee (lees: uit de VS) te importeren. Gevolg: een zak rijst kostte in 1986 95 gourdes, nu vijf keer zoveel. Terwijl de lonen gelijk bleven. Van dit beleid profiteert alleen een kleine groep rijke zakenlui; in westerse luxe wonend in de wijk Petionville, hoog boven Port-au-Prince. Vanuit dit bolwerk beheerst één procent van de bevolking, hoofdzakelijk mulatten, driekwart van de economie.

En dan is er nog die andere machtsfactor: Jean-Bertrand Aristide. Hij hoopt in 2001 opnieuw tot staatshoofd gekozen te worden - Aristide was dat al, met een tussenpoos van twee jaar generaalsbewind, van 1991 tot 1995 - en moet dus bij het volk in de gratie blijven. Reden waarom hij en zijn aanhang in het parlement de broodnodige privatisering van inefficiënte staatsbedrijven en de afslanking van het enorme overheidsapparaat blokkeren. Als reactie trekken buitenlandse investeerders en westerse hulporganisaties eerdere beloften van meer financiële steun in, uit vrees dat die anders in een bodemloze, corrupte put terechtkomt.

Magloire wijst op het gevolg van een en ander: ,,Sinds 1986, het jaar waarin de dictatuur van Duvalier jr. ('Baby Doc') omver werd geworpen, is de, toen ook al magere, levensstandaard continu gedaald. Niets werkt er meer, zelfs het toerisme ligt volledig op z'n gat. Je vraagt je af hoe de mensen kans zien om te overleven.'' Het antwoord ligt letterlijk op straat. Daar, op de trottoirs van steden als Port-au-Prince, Cap-Haïtien, Gonaïves en Les Cayes, waar vervallen en verveloze huizen en open riolen het beeld bepalen, zitten duizenden Haïtianen en drijven handel in van alles en nog wat: van oude schoenen tot radio's, van doodskisten tot en met tandpasta. Het is dit informele circuit dat veel mensen van de hongerdood redt.

De Nederlander Ad de Blaeij die de leiding heeft over de protestants-christelijke hulporganisatie Parole et Action, stelt: ,,De regering heeft de ogen uitsluitend gericht op de parlements- en presidentsverkiezingen die dit en volgend jaar worden gehouden. Dat er betrekkelijk weinig onrust onder de bevolking is, heeft te maken met het feit dat de voedselprijzen momenteel laag zijn. Anders zou je eens wat meemaken! De ontevredenheid onder de Haïtianen is namelijk groot. Bij de laatste presidentsverkiezingen kwam slechts 28 procent van de kiezers opdagen.''

De Blaeij (,,In die zeventien jaar dat ik hier nu zit is de sociaal-economische situatie geen stap vooruitgegaan.'') zegt dat vooral jongeren verbitterd zijn. ,,Ze zien dat er van alle overheidsbeloftes niks terechtkomt. Zelfs met een universiteitsdiploma op zak kunnen ze geen werk vinden. Ze willen daarom nog maar één ding: zo snel mogelijk weg richting Verenigde Staten, waar al anderhalf miljoen landgenoten hen in de emigratie zijn voorgegaan. Dat bevordert de geest van saamhorigheid, het idee van 'we zetten er samen de schouders onder', natuurlijk niet.''

Dr. Youn Jacques, orthopeed bij het overheidsziekenhuis Justinien in Cap-Haïtien (honderdduizend inwoners), snapt het vluchtgedrag van de jongeren wel, maar vindt dat hij zelf moet blijven. ,,Als arts kan ik mijn volk niet in de steek laten.'' En na peinzend een slok van zijn Prestige-bier te hebben genomen: ,,Of mijn kinderen dit voorbeeld zullen volgen - hij heeft twee dochters van wie er een sociologie in de VS studeert - betwijfel ik. Geef ze eens ongelijk. Het enige wat dit land hen te bieden heeft is aids, alcohol en drugs. En als je daaraan niet sterft, blijkt er altijd wel een of andere gek bereid je voor wat dollars te killen.''

,,De meest treffende metafoor voor al onze hopeloosheid vind ik de telefoon: je belt, hij gaat over, maar aan de andere kant neemt nooit iemand op.'' Zuchtend: ,,Soms verlang ik bijna terug naar de dagen van de Duvaliers (1957-1968). Toen mocht je niet zeggen wat je dacht, maar er was in elk geval orde en rust. De huidige situatie kun je het beste samenvatten met het oude creoolse gezegde: 'dèyè mon gen mon', achter de bergen liggen meer bergen. Want voor dit land lijken de problemen nooit op te houden. Nooit!''

mailIcon print |