*

 
dossier

Archief

Vernieuwer met een libertijnse blik

Cees Straus − 05/12/00, 00:00

Parijs keert met een fraaie expositie terug naar het begin van de moderne kunst en geeft een verhelderend inzicht in het belangrijkste thema van de schilder Manet: het stilleven.

Een kleine tachtig keer heeft de Franse schilder Edouard Manet zich over het stilleven gebogen. Het onderwerp maakt eenvijfde deel uit van zijn totale oeuvre, dat volgens zijn voornaamste biografen zo'n 430 schilderijen omvat. Manet was daarmee een van de productiefste stillevenschilders van zijn tijd; alleen Fantin-Latour en Cézanne hielden zich vaker met dit genre bezig.

Van de 78 stillevens en portretten mèt stilleven van Manet is de overgrote meerderheid op een tentoonstelling in Musée d'Orsay in Parijs te zien. De expositie is zodoende nog net geen overzicht geworden. Zo'n retrospectieve had de eerste sinds vele jaren kunnen worden; de laatste keer dat er in Parijs een overzichtstentoonstelling van het werk van Manet te zien was, was in 1983, en daar ontbraken merkwaardig genoeg de meeste stillevens. Toch is de presentatie in het Orsay geen gemiste kans: één, alles overheersend thema in Manets schilderkunst kan nu minutieus worden bestudeerd.

Afgaande op de lange rijen bezoekers die zich uitstrekken tot buiten het Musée d'Orsay langs de Seinekaden, kun je stellen dat Manet nog altijd een hoogst populaire schilder is. Het hoog opgevoerde realiteitsgehalte, het handhaven van een welhaast slordig uitgevoerde esthetiek (die hem het odium van een 'schilderachtig' schilder gaf) en de mix van traditionele waarden gekoppeld aan een werkelijke vernieuwingsgezindheid zullen daar debet aan zijn. Het zijn in ieder geval de kenmerken waarmee zijn stillevens getypeerd kunnen worden.

Voor de kijker van de twintigste eeuw zijn het kenmerken die eigenlijk voor het hele oeuvre opgaan, maar in de negentiende eeuw lag dat anders. Nog in 1863 veroorzaakte Manet met zijn 'Le Déjeuner sur l'herbe' (een voorstelling van enkele stemmig geklede jongelieden die hun picknick delen met een blote en, erger nog, vrijmoedig kijkende dame) een schandaal.

Zeven jaar later was de kritiek op Manets libertijnse aanpak nog altijd niet verstomd, getuige de respons die hij in de krant kreeg op zijn portret van de schilderes Eva Gonzalèz. Dat schilderij, afkomstig uit de National Gallery in Londen, opent de exposite in het Orsay. Wie 'Le Déjeuner sur l'herbe' wil zien, kan trouwens elders in het museum terecht, maar dan moet je daarvoor wel de expositie verlaten (de zalen voor de tijdelijke exposities hebben een eigen ingang). Wie die berichten over het portret, nu met het bewuste schilderij bij de hand, nog eens overleest, moet tot de conclusie komen dat er in Frankrijk toch wel lang vreemde ideeën over de schilderkunst hebben geleefd. De kritiek richtte zich vooral op het feit dat de betrokken geportretteerde een vrouw was, een schilderes nog wel, die onder het schilderen kon lachen. Het was vooral de weergave van de glimlach die de kunstcriticus van de Figaro allerminst kon bekoren. De (glim)lach -in de ogen van de kijker van nu niet meer dan een zoete blik- verhoogde het werkelijkheidskarakter van de voorstelling en zulks was in de Franse negentiende eeuw lange tijd ongehoord (de biddende boeren en de arenleesters van Millet kregen hetzelfde oordeel). De goede smaak werd aan het begin van de tweede helft van de negentiende eeuw nog immer gedicteerd door de schilders van de Salon, waar alleen portretten in geïdealiseerde staat werden opgehangen.

Toch had Manet zijn schilderkunst niet van een vreemde. In diezelfde jaren zestig was Courbet zijn grote voorbeeld geworden. Courbet als de vader van het realisme, die echter nog met één been in de romantiek stond. Maar Manet had weinig met romantiek op. Behalve op het werk van Courbet oriënteerde hij zich op een ver verwijderd verleden. Naast de achttiende-eeuwse stillevenschilder Chardin -,,In zijn tijd stond het stilleven op de tweede plaats, hij slaagde er in het te verheffen'', heeft Manet eens gezegd- die na Courbet een bron van inspiratie zou worden, hield Manet ook van de Spaanse en de Nederlandse (stilleven)schilders uit de zeventiende eeuw. Zie zijn 'Bosje asperges' dat rechtstreeks aan Adriaen Coorte ontleend lijkt te zijn. Er ligt, zoals tegenwoordig wel bekend is, een duidelijke relatie tussen de schilders van het sobere Spaanse stilleven en de Hollandse ontbijtjesschilders, die anders dan de weelderig schilderende Van der Heem en Van Huysum naar een objectmatige en daardoor karig uitpakkende vormentaal streefden.

Manet erfde van hen een objectmatige aanpak, die hij kracht mee gaf door zijn onderwerp bijzondere, maar altijd a-symbolische kleuren mee te geven. Kleur en licht hebben in Manets opvatting altijd een dramatisch accent. Als een van de weinige schilders gebruikte hij bijvoorbeeld wit, wat bij hem het effect heeft dat dat deel van de compositie zich als het ware naar voren, dus dichter in het blikveld van de kijker, wil worstelen. Het gebruik van wit stond op de kunstacademies in slecht aanzien (reden waarom de kleur zelden te zien was in de schilderijen van de negentiende eeuw), zoals Manet wel meer academische regels doorbrak.

Een van de andere regels was het onverkort handhaven van een duidelijke hiërarchie in de compositie van het interieur. Ook daar lichtte Manet de hand mee. Je kunt dat zien aan de hand van de portretten die met stillevens worden gecombineerd of figuurstukken met elementen van het stilleven. En dan te weten dat Napoleon III zich in die jaren nog liet portretteren in staatsiekostuum, ten voeten uit en mèt heersersblik, waarbij geen spatje stilleven te bekennen was.

mailIcon print |