Het Humanitarian Law Fund, een mensenrechtenorganisatie in Belgrado, heeft onderzoek gedaan naar misdaden in Kosovo. De wraakacties tegen Serviërs zijn niet goed te praten. Het VN-bestuur had een verkeerde boodschap afgegeven.
Het is wellicht de grootste fout van de internationale gemeenschap in Kosovo, zegt Natasa Kandic. Ze doelt op het half en half goedpraten van het Albanese etnisch geweld tegen de Serviërs na de intocht van de Kfor-troepen in juni vorig jaar.
,,Iedere moord, iedere aanval op niet-Albanezen ontmoette begrip. De Albanezen werd gevraagd vooral geen wraak te nemen en de Serviërs te vergeven. Bernard Kouchner, de chef van het VN-bestuur, zei zelfs in het openbaar dat hij zich het geweld tegen de Serviërs kon voorstellen. Dat was de verkeerde boodschap. Een grote fout. Kouchner had moeten wijzen op de plicht van iedereen om zich aan de wet te houden.''
Kandic is directeur van een mensenrechtenorganisatie in Belgrado, het Humanitarian Law Fund. Gevraagd om commentaar op haar dinsdag gepubliceerde rapport over Orahovac, zegt ze dat Kfor en de VN niets hebben gedaan om 'gewone' mensen te steunen in hun verzet tegen geweld. Volgens haar hebben mede daardoor de radicalen nog steeds de overhand. Niet alleen in Orahovac, maar in heel Kosovo.
In het openbaar voelen de Albanezen in Orahovac zich verplicht te zeggen dat alle Servische burgers van de stad misdaden hebben begaan. En dat ze daarom niet meer met elkaar kunnen samenleven. Toen Kandic in januari met velen van hen persoonlijk sprak, hoorde ze een ander geluid.
,,Dan praten ze ook over vriendschappen met Serviërs voor en zelfs tijdens de oorlog. Ze zeggen het niet hardop, omdat ze weten dat ze dan moeilijkheden krijgen. Maar ze hebben wel degelijk gezien dat al die Servische huizen in brand zijn gestoken in bijzijn van de Kfor. Menig Albanees die ik heb gesproken, zegt dat de internationale gemeenschap het liefst de Serviërs ziet vertrekken.''
Haar rapport 'De lessen van Orahovac' geeft een huiveringwekkend beeld van de gebeurtenissen in de stad tijdens en na de Navo-bombardementen. Ondanks Kandic' kritiek verbergt ze niet dat de Albanese bevolking gedurende de oorlog op een beestachtige manier werd geterroriseerd. Uit haar tientallen interviews met Albanezen blijkt hoe barbaars de Servische politie, aangevuld met lokale reservisten en paramilitairen, te keer ging.
Op 10 mei ging de Albanese Iska Sharku op bezoek bij haar ouders. Ze trof haar hele familie dood aan. Taibe (58), Ali (58), hun dochter Azemina (36) en de kinderen Visar (13), Azra (10), Venhara (8) en Egzona (8) lagen vermoord in de woning. Roof was het motief. Uit het huis bleek contant geld en goud ter waarde van meer dan 400000 Duitse mark te zijn verdwenen.
Er is het verhaal van de familie Topali. Twee broers, Alush en Velija, kregen op 29 maart, vijf dagen na het begin van de Navo-bombardementen, opdracht hun huis te verlaten. Ze vertrokken met een tractor en een auto. Bij een hotel werden ze staande gehouden door Russische soldaten, die 40000 mark eisten. Alush gaf 17300 mark en mocht honderd mark houden voor de reis naar Albanië. Even verderop stond een politie-reservist, Zoran Stanisic uit Orahovac. Hij sloeg Velija in elkaar met een geweer. Enkele politiemensen trokken het slachtoffer naar het hotel, waar twee andere Serviërs in uniform hem opnieuw toetakelden.
Volgens Alush stierf zijn broer op de trap bij de ingang. Op 30 maart waren de broers Qazim, Sabit en Fahredin Dali (45, 33 en 27 jaar oud) met hun vader op weg naar hun boerderij om de schapen te voeren. Bij een checkpoint aan de rand van de stad stonden Servische politiemensen en reservisten, die hun identiteitskaarten wilden zien. De vader kreeg zijn kaart terug en moest rechtsomkeert maken, maar de zoons moesten blijven staan. Onderweg hoorde de vader schoten. Vijf dagen later vond hij de verkoolde lichamen van zijn zoons in een huis vlakbij het checkpoint. Of neem de moord op biologie-lerares Elmaze Kadiri. Zij en haar schoonmoeder Nurisha werden op 3 mei door drie politiemensen gedood. Hun huis werd in brand gestoken. De familie die de lijken vond en heeft begraven, concludeerde dat Elmaze was gemarteld. Haar tanden waren gebroken. Er waren stukken van haar oren afgesneden. Drie dagen later kreeg haar man van de politie opdracht met zijn kinderen naar Albanië te vertrekken.
In haar rapport beschrijft Kandic 27 van dergelijke moorden op Albanezen tussen maart en juni. Ook sprak ze met familieleden van vier vermiste Albanezen. In bijna alle gevallen waren de daders politiemensen. Vorig jaar hebben onderzoeksteams van het Joegoslavie-Tribunaal in en rond Orahovac vierhonderd lijken opgegraven. Vermoedelijk zijn de meeste slachtoffers burgers, vermoord in de eerste week van de Navo-bombardementen.
Met de komst van het Nederlands-Duitse Kfor-detachement in juni werden de rollen omgedraaid. Serviërs moesten hun huizen verlaten en meer dan honderd huizen gingen in vlammen op. Alleen al in de eerste vier weken ontvoerde het teruggekeerde UCK veertig Serviërs. Hun lot is onbekend, op vier na wier lichamen zijn gevonden.
,,De laatste ontvoering was op 3 januari. Op die dag verliet de 25-jarige Radivoje Lukic, op dat moment onder invloed van alcohol, de Servische wijk om naar het centrum te gaan. Hij is nooit teruggekeerd'', schrijft Kandic.
In 1998, toen het UCK de stad korte tijd in handen had, zijn ongeveer vijftig Serviers ontvoerd. Ook van hen is niets meer vernomen. De achtergebleven Serviërs, heeft ze gemerkt, reageren verschillend als hen wordt gevraagd hoe ze de toekomst zien. Een deel wil zo snel mogelijk naar Servië of Montenegro, terwijl anderen willen blijven als Kfor en de VN er in slagen hun situatie te verbeteren. ,,De Serviërs, die voor hun overleving vechten, geven toe dat Servische troepen misdaden hebben begaan tegen de Albanezen in Orahovac'', rapporteert ze. ,,Ze verbergen hun schaamte niet over de vernedering waaraan de Albanezen tijdens de Navo-bombardementen zijn blootgesteld. Het leger en de politie hadden hen verboden brood en meel aan Albanezen te verkopen. Velen deden het toch, in het geheim.''
Kandic kon zonder problemen met iedereen spreken, ook met Albanezen. Haar jarenlange inzet voor de mensenrechten in Kosovo heeft haar onder Albanezen veel goodwill opgeleverd. Het Humanitarian Law Fund zet zich onder meer in voor de vele honderden Albanezen die op dit moment in Servische gevangenissen zitten op verdenking van terrorisme. Toch vergde zelfs haar komst enige voorbereiding. ,,Al in augustus heb ik beide kanten uitgenodigd voor gesprekken. Toen vonden de Albanezen het nog te vroeg'', zegt ze.
Veertien van oorlogsmisdaden verdachte Serviërs zijn gearresteerd, onder wie de voormalige burgemeester Andjelko Kolasinac. De gevangenen zijn in december overgebracht van Prizren naar Kosovska Mitrovica. Voor het Humanitarian Law Fund is de berechting van deze groep een punt van zorg. Het Joegoslavie-Tribunaal heeft een beperkte capaciteit en zal de rechtsgang overlaten aan de rechtbanken in Kosovo. Pas enkele weken geleden werden de eerste rechters in Kosovo benoemd: het zijn in overgrote meerderheid Albanezen. Volgens Kandic is internationaal toezicht noodzakelijk.
,,Ik weet zeker dat er anders niets terechtkomt van eerlijke processen. De ervaring leert dat. Wij pleiten voor het instellen van een speciaal hof voor oorlogsmisdaden in Kosovo, dat onder internationaal toezicht zou moeten staan. Anders zullen de verdachten niet dezelfde rechten hebben als Albanezen, alleen al omdat hun advocaten in Servië zijn. Zonder speciale maatregelen willen die niet naar Kosovo komen.''
Ondanks de nog steeds gespannen situatie in Orahovac ziet ze een kentering ten goede. Een deel van de Serviërs is bereid met de internationale autoriteiten mee te werken. En: ,,De VN en Kfor beseffen nu heel goed dat ze fouten hebben gemaakt, die ze proberen te herstellen. Al had dit inzicht er natuurlijk veel eerder moeten zijn.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.