*

 
dossier

Archief

De tactiek van de vertraging

Joop Bouma − 13/01/00, 00:00

Volgens drie van de vier Nederlanders behoort de overheid burgers te waarschuwen voor de risico's van roken, blijkt uit opinie-onderzoek in opdracht van de NCRV onder 750 rokers en niet-rokers. Maar van de lange reeks anti-rookmaatregelen die de Gezondheidsraad in 1975 voorstelde, zijn de meeste nooit en een enkele pas decennia later uitgevoerd.

De beste methode om beleid te vertragen: vraag advies aan de Gezondheidsraad. F. Wafelbakker (74), gepensioneerd inspecteur voor de jeugdgezondheidszorg bij het ministerie van Volksgezondheid, kent het spel. ,,Eén van de functies van de Gezondheidsraad was de ijskastwerking. Liet je over een kwestie een advies uitbrengen door de Gezondheidsraad, dan wist je dat het onderwerp voor enkele jaren was kaltgestellt. Je gaf met zo'n adviesaanvraag aan de Gezondheidsraad het idee dat het onderwerp alle aandacht had. Maar daar bleef het dan ook bij.'

Zo verging het in 1975 ook het advies dat de Gezondheidsraad uitbracht over het roken. Een commissie stelde de toenmalige staatssecretaris R. Kruisinga een lange reeks maatregelen voor om het tabaksgebruik te beperken. Maar ze belandden in de ijskast. Pas sinds het aantreden van minister Borst (Volksgezondheid) staat de koelkastdeur weer op een kier.

De economische belangen van de tabakssector waren in 1975 groot: de Nederlandse tabaksindustrie exporteerde flink en jaarlijks vloeide er ongeveer een miljard gulden aan tabaksaccijnzen naar de algemene middelen. Wafelbakker was destijds lid van de commissie die het advies van de Gezondheidsraad opstelde. Volgens Wafelbakker moet de invloed van de Gezondheidsraad niet worden overdreven. ,,Zo'n commissie had toch iets superieurs: wij als wetenschappers geven aan wat er zou moeten gebeuren en verder is het aan de politiek. Maar welk Kamerlid zette in de jaren zeventig zijn politieke carrière op het spel door met een initiatief-wetsontwerp te komen tegen het roken?'

Ook de Eindhovense longarts dr. P. van Voorst Vader zat in 1975 in de commissie. Sinds begin jaren zestig had hij in het Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde gepubliceerd over sterfte en invaliditeit in Nederland door het roken. Voorst Vader (83) herinnert zich dat hij in die periode ook in vergaderingen van longartsen met vaste regelmaat het probleem aankaartte. ,,Ik vond dat wij als longartsen ons niet aan deze problematiek kónden onttrekken. Maar ik werd weggehoond. Het was de periode waarin ik van iedere longartsenvergadering thuis kwam met zware hoofdpijn door de sigarendampen die in die zaaltjes hingen. Iedereen rookte. Er kwam bij dat artsen in die tijd nog vonden dat medici ziekten behoren te behandelen. Preventieve geneeskunde werd niet als hun taak gezien.'

,,Nee, wij hebben in Nederland niet voorop gelopen bij de bescherming van de roker en de niet-roker', zegt Van Voorst Vader nu. ,,Er is wat dit betreft in Nederland toch altijd een zekere laksheid geweest. Daar kwam bij dat Nederlandse artsen de felste rokers zijn van Europa.'

Dat de voorstellen van de Gezondheidsraad niets uithaalden, was ook dr. L. Meinsma, directeur van het Koningin Wilhelminafonds voor de kankerbestrijding, een doorn in het oog. Meinsma had tussen 1963 en 1975 in zijn eentje leiding gegeven aan de landelijke actie Niet Roken. 'Veder-Smit, doe iets!', schreef de toenmalige directeur in 1979 in een opiniestuk. Meinsma zag met lede ogen aan dat de missie die hij in 1963 was begonnen, vijftien jaar later nog steeds niet was vertaald in een serieus tabaksontmoedigingsbeleid. ,,Voorlopig zal er weer niets essentieels gebeuren tegen het roken', schreef hij.

E. Veder-Smit, destijds staatssecretaris van volksgezondheid, had de Tweede Kamer in 1979 gemeld dat 'er tegen het roken beslist niet voldoende' was gedaan. De enkele jaren eerder opgerichte Stichting Volksgezondheid en Roken Stivoro, zou echter een belangrijke taak krijgen op dit terrein, zo deelde Veder-Smit de Kamer mee.

Meinsma was verbolgen over de lijdelijke houding van de overheid: ,,Een particuliere stichting moet in het overheidsbeleid tegen het roken een belangrijke functie gaan vervullen, hoewel het ministerie zelf nog niet eens een beleidsplan heeft'.

Meinsma, 76 nu, wil eigenlijk liever niet meer praten over de jaren waarin hij landelijk bekend was op het gebied van stoppen-met-roken. Hij kijkt met gemengde gevoelens op die tijd. Al is er ook iets van tevredenheid: ,,Ik heb uiteindelijk gelijk gekregen en dat is toch leuk. Ik heb daar ook nooit aan getwijfeld. Ik wist dat ik goed zat.'

Met een karige subsidie van de overheid, 150000 gulden in de eerste jaren, bouwde Meinsma in zijn eentje twaalf jaar aan een fundament voor een tabaksontmoedigingsbeleid. ,,Het was een one-man-show', zegt hij. Zelfs vanuit eigen kring, de medische professie, kreeg de KWF-directeur amper steun. ,,De medische wereld rookte! Dan hoef je niet echt op support te rekenen.'

Twintig jaar lang waren artsen vrijwel volledig afwezig geweest in de publieke discussie over roken en gezondheid. In 1965 al had Meinsma zijn collega's opgeroepen een offensief tegen het roken te beginnen. Het bleef stil. Vijf jaar later meldde de artsenorganisatie KNMG dat er een standpunt zat aan te komen: ,,We zullen ons er in de toekomst wel niet aan kunnen onttrekken. Het wachten is op een geschikt moment', tekende de NRC in 1970 op uit de mond van secretaris J. Diepersloot. De weerzin droop er van af. Meinsma reageerde, in dezelfde krant, geïrriteerd: ,,In 1969 berichtte Medisch Contact dat er in Nederland dagelijks gemiddeld 37 mensen aan de gevolgen van het roken sterven. Op welk geschikt moment wacht de KNMG nu nog?'

Maar in 1971 kwam de ommekeer. Meinsma kreeg vier wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten (de longartsen, cardiologen, internisten en KNO-artsen) op zijn hand. Zij stuurden gezamenlijk een telegram aan staatssecretaris Kruisinga, waarin zij stelden dat het niet verantwoord was 'nog langer te zwijgen'. ,,Meer dan tien jaar geleden zijn de hoofdzaken omtrent de schadelijke werking van de roken op de gezondheid bekend geworden, maar de reactie van de Nederlandse arts is minimaal geweest', aldus het telegram. Dat kwam volgens de afzenders vooral vanwege het feit dat in Nederland de actie tegen het roken niet door de regering werd gevoerd, maar vanuit een particulier initiatief. ,,Het geringe resultaat vervult ons met grote zorg.'

De specialisten schreven Kruisinga dat in 1971 de totale sterfte bij mannen van 50 tot 70 jaar twee keer zo hoog was geworden als bij de vrouwen van gelijke leeftijd. ,,Nederland is hierdoor een land geworden, uitzonderlijk rijk aan weduwen. In 1950 was de sterfte bij de man niet meer dan een kwart hoger dan die bij de vrouw. De ontwikkeling is wel niet geheel, maar toch voor een groot deel het gevolg van roken.'

Ze stuurden Kruisinga twaalf velletjes tekst met feiten en cijfers over de sterfte aan ziekten die door roken werden veroorzaakt. Kruisinga kon het initiatief niet negeren. Nog geen maand later besloot hij tot vorming van een speciale commissie van de Gezondheidsraad die hem advies moest uitbrengen over beperkende maatregelen tegen het roken.

De Nederlandse tabaksindustrie was intussen met de zwakke anti-rooklobby dik tevreden, blijkt uit een document van fabrikant Philip Morris uit 1979. Er waren, aldus Philip Morris, wat kleine groeperingen, vooral gevormd door studenten, die af en toe wat actie voerden. ,,Maar ze zijn slecht georganiseerd en doorgaans verdwijnen ze vanzelf zonder veel publiciteit.'

De meest omvangrijke anti-rookactie was die van dr. Meinsma, aldus de sigarettenfabrikant. ,,Meinsma geniet in de media een zekere beruchtheid, die vooral gebaseerd is op zijn nogal emotioneel geladen uitlatingen. Per saldo wordt hij gezien als een fanatiekeling die niet erg serieus wordt genomen.'

Ook op het ambtelijke en politieke front had de Nederlandse tabaksindustrie de wind mee. Philip Morris stelde vast dat sinds het aantreden van het eerste CDA/VVD-kabinet Van Agt/Wiegel in 1977 de positie van de industrie een stuk rooskleuriger was geworden, na de magere jaren onder Den Uyl.

De Nederlandse tabaksfabrikanten werkten volgens Philip Morris in de Stichting Sigarettenindustrie eind jaren zeventig prettig samen met de overheid. ,,Van een geregeld contact over roken en gezondheid is geen sprake', aldus het document. ,,Nederlanders hangen aan het principe van persoonlijk vrijheid, de kwestie rond het roken speelt niet echt.'

Van juridische acties hoefde de Nederlandse tabaksindustrie volgens Philip Morris weinig te vrezen. Weliswaar zou Nederland zich aansluiten bij de nieuwe Europese richtlijnen voor produktaansprakelijkheid, ,,maar dit wordt algemeen niet gezien als een serieus probleem, want de Nederlander is niet erg geneigd naar de rechter te stappen voor schadevergoedingen'.

mailIcon print |