Je moet maar durven: de grote Aristoteles een opvatting toeschrijven die indruist tegen wat geleerden eeuwenlang hebben beweerd. De durfal in kwestie is A.P. Bos, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, die als Aristoteles-deskundige een internationale reputatie heeft te verliezen. In eerdere werken heeft hij zich al beijverd het gangbare beeld van Aristoteles' kosmologie bij te stellen, op grond van wat wij weten over diens verloren geschriften. Nu is in 'De ziel en haar voertuig' de psychologie aan de beurt.
Doorgaans wordt aangenomen dat Aristoteles in zijn boek 'Over de ziel' de ziel beschouwt als de 'vorm' of het vormende principe van het stoffelijke, tastbare lichaam. Deze opvatting is in alle leerboeken te vinden. Bos komt echter met de stelling dat hier nog een derde element in het spel is, het pneuma (adem, wind, lucht). Dit is een 'fijn-stoffelijk lichaam', door middel waarvan de dierlijke of menselijke ziel het lichaam pas kan besturen. Bos maakt een vergelijking die hedendaagse lezers moet aanspreken: als we het zichtbare lichaam vergelijken met een (volledig geautomatiseerde) chocoladefabriek, en de ziel met het computerprogramma (de software) waarmee de machinerie wordt bestuurd, dan is er ook nog een computer (de hardware) nodig om het programma te laten draaien.
Dit pneuma (bij planten in meer algemene zin de 'vitale warmte') is het 'voertuig' van de ziel uit de boektitel, en wordt door Aristoteles ook het 'instrumentele lichaam' genoemd. Althans volgens Bos, die betoogt dat een cruciaal begrip in 'Over de ziel', namelijk organikon, altijd verkeerd is vertaald, namelijk als 'uitgerust met organen'. Dat deze vertaling aannemelijk wordt gemaakt door een onmiddellijk volgende passage, wordt door Bos misschien wat al te makkelijk afgedaan: hij oppert dat het daar gaat om een 'latere toevoeging' of om een overgang die we op het eerste gezicht niet goed kunnen begrijpen. Bovendien blijft het de vraag waarom Aristoteles zich op dit punt kennelijk zo vaag uitdrukt dat hij de geleerden eeuwenlang op het verkeerde been heeft gezet.
Daar staat tegenover dat ook de gangbare interpretatie niet zonder inconsequenties is, en deze worden door Bos vakkundig blootgelegd. Hij komt bovendien met talrijke steekhoudende argumenten voor zijn eigen opvatting, puttend uit Aristoteles' biologische geschriften (waarin de pneuma-theorie uit de doeken wordt gedaan), en uit de verwijzingen bij antieke filosofen naar diens verloren werken.
Zo brengt hij een fraaie parallellie aan het licht tussen microkosmos en macrokosmos, tussen het psychologische en het kosmologische niveau: de rol die het pneuma op het eerste niveau vervult, wordt op het tweede vervuld door het 'vijfde element', de aether. Bos schetst een fascinerend nieuw beeld van Aristoteles, als een denker die in sommige opzichten veel meer verwant is gebleven met zijn leraar Plato dan meestal wordt gedacht, maar die een invloedrijke oplossing vond voor een probleem dat Plato had laten liggen: hoe kunnen twee totaal verschillende zaken, een materieel lichaam en een onstoffelijke ziel, op elkaar inwerken?
Voor hetzelfde probleem stond overigens later ook Descartes. Die kwam, onder invloed van de neo-aristoteliaanse wijsbegeerte van zijn tijd, op de proppen met de 'levensgeesten' (esprits animaux) die, als een 'heel subtiele wind' of een 'heel zuivere en levendige vlam', nog herinneren aan het pneuma van Aristoteles.
Bos' interpretatie kan rustig revolutionair worden genoemd. Of ze hout snijdt zal moeten blijken uit de reacties van andere deskundigen, als die tenminste bereid zijn hun traditionele visie ter discussie te stellen. In ieder geval heeft Bos er alvast voor gezorgd dat ook niet-specialisten zich kunnen verdiepen in het vraagstuk, dat hij helder en met een aanstekelijk enthousiasme uiteen heeft gezet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.