*

 
dossier

Archief

Levensmoede Brongersma: De dood heeft mij vergeten

Wybo Algra − 17/10/00, 00:00

Het doek is gevallen, het applaus verstomd en je staat nog op het podium. Zo kenschetst de Rotterdamse medisch-ethica Inez de Beaufort de situatie van oud-PvdA-senator E. Brongersma, toen hij op 13 maart 1998 zijn huisarts vroeg om hulp bij zelfdoding. Leed Brongersma 'ondraaglijk', zoals de euthanasiewet vereist? Dat is goed mogelijk, denkt De Beaufort, ook al had hij geen ernstige lichamelijke of psychiatrische kwalen. ,,Voor lijden bestaat geen thermometer'', zei ze gisteren voor de rechtbank in Haarlem, waar ze als deskundige optrad.

De betekenis van het begrip 'ondraaglijk lijden' is het enige waarover de huisarts en het openbaar ministerie van inzicht verschillen. Verder, erkent ook het OM, verliep alles volgens het boekje. De huisarts voerde lange gesprekken met Brongersma. Hij haalde er een tweede huisarts bij voor de wettelijk verplichte consultatie en nog een psychiater om een behandelbare psychiatrische kwaal uit te sluiten.

Ze kwamen allen tot dezelfde conclusie. Brongersma had een arbeidzaam leven gehad. Hij was actief geweest in politiek, literatuur, religie en wetenschap. Hij had deel uitgemaakt van een intellectuele vriendenkring. Nu dit alles voorbij was, de aftakeling had ingezet en bijna al zijn vrienden waren overleden, was elke dag een kwelling geworden, die nog jaren zou kunnen duren. En Brongersma was op. Hij snakte naar het einde.

Een vriend van Brongersma beschreef hem als een man die tot het eind een beschaafde en erudiete indruk bleef maken, maar ook als een oude, gebogen man die zich schuifelend voortbewoog en zichtbaar leed onder zijn lichamelijke aftakeling. Een maand voor het einde vertelde Brongersma hem van zijn beslissing over zijn levenseinde. ,,Het was voor hem echt een bevrijding'', vertelde deze vriend gisteren voor de rechtbank.

'De dood heeft mij vergeten', schreef Brongersma aan zijn huisarts, kort na het mondelinge verzoek om hulp bij zelfdoding. Ethica De Beaufort: ,,Wat hij in die brief beschrijft aan leegte, dat los je niet op met een museumbezoekje.'' De Beaufort vindt het goed verdedigbaar om in dit geval over ondraaglijk lijden te spreken. Maar, erkende ze, daarover verschillen de meningen.

Volgens mr. M. Oosting, raadsvrouw van de huisarts, is er weinig nieuws onder de zon. Brongersma leed onder de ontluistering van zijn bestaan. Het begrip ontluistering werd in 1984 door de Hoge Raad erkend als rechtvaardiging voor euthanasie door een huisarts uit Purmerend, die het leven van een bejaarde vrouw had helpen beëindigen. Oosting: ,,Deze vrouw had het 'geluk' dat ze ook nog een lichamelijke kwaal had. Maar de eigenlijke reden voor euthanasie was dat ze leed aan een leven dat voor haar te lang was geworden.''

Het verschil is dat deze strafzaak niet wordt 'vertroebeld' door een bijkomende fysieke aandoening. En niemand, inclusief officier van justitie T. Bot, twijfelt aan de integriteit en betrokkendheid van Brongersma's huisarts. Hij is een zogeheten SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland), speciaal getraind in het adviseren van andere huisartsen die verzoeken om euthanasie of hulp bij zelfdoding krijgen. De collega-huisarts die hij inriep voor consultatie staat bekend als zeer kritisch -maar deze oordeelde ook dat het voor Brongersma een ondraaglijk vooruitzicht was nog jaren voort te moeten.

Ook de vergelijking met een andere geruchtmakende zaak gaat mank: die van de Haarlemse psychiater Chabot, die in 1991 een zwaar depressieve vrouw hielp te sterven. De Hoge Raad oordeelde in 1994 dat Chabot zorgvuldig had gehandeld. Daarmee was het begrip 'noodtoestand' niet meer alleen van toepassing op lichamelijk, maar ook op uitzichtloos psychisch lijden. Maar deze vrouw had een psychiatrische ziekte, in tegenstelling tot Brongersma die 'slechts' het leven moe was.

Het is al met al een zuivere zaak, die louter zal draaien om de reikwijdte van het begrip 'ondraaglijk en uitzichtloos lijden'. De huisarts van Brongersma staat een zware rechtsgang van jaren te wachten, mocht het tot de Hoge Raad komen. Maar het gaat om de vraag of veroudering en (de vrees voor) aftakeling voldoende grond kunnen zijn voor hulp bij zelfdoding. Hoe zuur dat voor deze huisarts ook is, die vraag verdient een antwoord.

mailIcon print |