*

 
dossier

Archief

Vrede staat in Israël op uitbreken

J.C. Mÿhren − 17/10/00, 00:00

De buurlanden van Israël hebben hun oorlogsdoelen praktisch verwezenlijkt. De huidige crisis laat duidelijk zien dat niemand nog belang heeft bij gewapende strijd. Zodra Israël toegeeft dat de Palestijnen niet te veel vragen, kunnen de vredesonderhandelaars succes boeken.

De toestand in Israël en de bezette gebieden is zonder meer verontrustend. De dramatische gebeurtenissen komen nu -anders dan tijdens vele eerdere dieptepunten van het Israëlisch-Arabische conflict- indringend tot ons. De televisie brengt de schokkende beelden. Verslaggevers geven zowel vanuit Israël als vanuit de Palestijnse gebieden, hun commentaar. In actualiteitenprogramma's lichten deskundigen uit beide kampen het conflict toe.

Volgers van het ontspoorde vredesproces kunnen zich veel beter dan vroeger een gefundeerde mening vormen. Na de uitroeping in 1948 van de staat Israël was dat decennialang anders. De uiterst eenzijdige voorlichting, de opstelling van onze overheid en de brede sympathie bij ons volk -na de holocaust- voor de jonge staat Israël, leidden er destijds zelfs toe dat de mythe ontstond van een door machtige Arabische legers omsingeld Israël, dat elk moment van de kaart kon worden geveegd.

Als VN-waarnemer kreeg ik, met tientallen westerse militaire collega's in het jaar voorafgaande aan de Zesdaagse oorlog een geheel ander beeld. Een superieure Israëlische krijgsmacht beheerste elke situatie. Wat wij in het Israëlisch-Syrische grensgebied waarnamen en in rapporten vastlegden werd het Nederlandse publiek door onze toenmalige correspondenten steeds onthouden. Wel brachten zij met een zekere regelmaat erg eenzijdige, soms aandoenlijke verhalen, met daarin vooral 'de Syrische beschietingen van kibboetsen'.

In 1997 werd alsnog een oud interview met Israëls minister van defensie tijdens de oorlog van 1967, Mosje Dajan, vrijgegeven (Trouw, 29 april 1997). Hij legde de schuld voor bijna alle botsingen met Syrië bij Israël zelf: om stukjes land in te pikken. Op Podium (9 mei 1997) onderbouwde ik Dajans uitspraken met feiten.

In 1966 nam de spanning tussen Israël en de Arabische landen snel toe. Enerzijds door de door Israël geprovoceerde incidenten aan de voet van de Golan, waarna vaak zware vuurgevechten uitbraken en de dagen erna alle Arabische landen furieus reageerden. Anderzijds door de eerste acties van de een jaar eerder opgerichte PLO, die in Syrië meteen een bondgenoot vond. Syrië stond echter niet toe, dat de PLO vanaf de Golan opereerde. Van medio 1966 tot voorjaar 1967 maakte ik als enige Nederlander deel uit van de Jordaans-Israëlische bestandscommissie. De Westoever was nog Jordaans gebied. Op patrouillepaden aan de Israëlische kant van de bestandslijn werden door de PLO soms mijnen geplaatst. Israël beschuldigde Syrië van het herbergen en opleiden van PLO-terroristen. Na een nieuwe Israelisch-Syrische 'landbouw'-botsing en een erop volgend mijnincident werd een aanval op Syrië verwacht.

Om onbegrijpelijke redenen werd het ten zuiden van Hebron gelegen dorp Samua op 13 november 1966 doelwit van een versterkte Israëlische pantserbrigade. Resultaat: honderd opgeblazen huizen en tientallen slachtoffers. Ook van de moskee bleef geen muur overeind. De Palestijnen waren woedend. Niet alleen op Israël, maar ook op het Jordaanse leger dat Samua niet had kunnen verdedigen. Er brak een intifada uit, die enkele weken duurde. Stenengooiers bekogelden voertuigen van leger, politie en VN-waarnemers met stenen. Om bloedvergieten te voorkomen werd het leger enige tijd uit enkele steden teruggetrokken. De toen al gematigde koning Hoessein sloot zich aan bij een Syrisch steunverzoek aan president Nasser die op zijn beurt maatregelen tegen de internationale troepenmacht in de Sinaï aankondigde. Na nieuwe incidenten in mei 1967 begon Israël de Zesdaagse Oorlog.

De Arabische landen erkenden destijds Israël niet. Het VN-verdelingsplan van 1947 hadden zij afgewezen. Door de Zesdaagse Oorlog kregen zij de rekening gepresenteerd. De eerste stap op weg naar een Midden-Oostenvrede werd, ogenschijnlijk tegenstrijdig, gezet door die oorlog van 1967. De erop volgende resolutie 242 van de Veiligheidsraad bood de Arabische landen immers het perspectief de tijdens die oorlog verloren gebieden terug te krijgen, maar dan wel onder erkenning van de staat Israël. President Sadat peilde die mogelijkheid, doch vond geen gehoor. In 1973 trachtten Egypte en Syrië Israëls onwil om resolutie 242 uit te voeren te doorbreken met een aanval ter herovering van de Sinaï en de Golan. Door gedeeltelijk Egyptisch succes -na de verloren oorlogen van 1948, 1956 en 1967- was de eer van Egypte enigszins hersteld. Sadat kon vervolgens de weg naar vrede inslaan.

Het ontging destijds vele correspondenten en commentatoren, dat de keerzijde van die vrede was, dat vredesregelingen tussen Israël en de andere Arabische buren daardoor voorlopig niet haalbaar zouden zijn. Door het neutraliseren van de Egyptische strijdkrachten werd Israëls militaire suprematie over die andere buren nog groter. De Likoed-regering, met Begin, Sjamir en Sjaron, wilde dit uitbuiten. De Likoed maakte duidelijk, behalve de Sinaï, niets van het in 1967 veroverde gebied, te zullen afstaan. In 1981 werd de Golan geannexeerd, in 1982 volgde Sjarons Libanoninvasie, de PLO moest Libanon verlaten en in 1985 werd bij Israëls terugtocht zelfs een strategische zone in Zuid-Libanon bezet gehouden. Door al die acties en de directe gevolgen ervan bleef de destijds door koning Hoessein en door president Hafez Assad gewenste rechtvaardige en allesomvattende vrede buiten bereik.

Enkele jaren na het einde van de Koude Oorlog en met de Arbeiderspartij -met Rabin en Peres- aan het roer werd de weg naar een algehele vrede ingeslagen met als eerste resultaten de Oslo-akkoorden en de Israëlisch-Jordaanse vrede. De moord op Rabin bracht het proces tot stilstand. Dit jaar leek onder Barak een definitieve vredesdoorbraak in zicht te komen. Israël verliet Libanon en er werd serieus onderhandeld over de teruggave van de Golan en de omvang van de toekomstige Palestijnse staat. De noordoostelijke oever van het Meer van Tiberias en de toekomstige status van Jeruzalem leken de enige nog hangende knelpunten. Nooit eerder was een allesomvattende Midden-Oostenvrede zo dichtbij.

De huidige crisis zal, hoe ernstig ook, niet tot een nieuwe Midden-Oostenoorlog leiden. Zonder deelname van Egypte is een oorlog met Israël onmogelijk. Er is bovendien voor geen van Israëls buren een wezenlijk oorlogsdoel overgebleven. Nog resterende kleine geschilpunten kunnen langs diplomatieke weg worden opgelost.

Arabische leiders zullen de Palestijnse leider Arafat vooral diplomatieke steun geven. Samen met mondiale leiders weten zij dat de meeste Palestijnen Arafat te toegeeflijk vinden. De verslaggeving heeft duidelijk gemaakt dat Arafat niet overvraagt, zoals vanuit Israël wordt beweerd. Voordat echter het vredesproces weer een kans krijgt, dient de rust te worden hersteld. Radicale Arabische groeperingen, maar ook iemand als Sjaron moet de wind uit de zeilen worden genomen.

mailIcon print |