*

 
dossier

Archief

Natuurlijk mag de koningin in Europa skiën

Hans Goslinga − 05/02/00, 00:00

Jarenlang heeft er, duidelijk zichtbaar voor de treinreiziger die vanuit westelijke richting het centraal station naderde, voor een raam in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt een spandoek gehangen met de tekst Tibet vrij. De betekenis was precies tegenovergesteld aan wat er stond, maar waarschijnlijk zijn er weinig Nederlanders geweest die het opschrift anders hebben begrepen dan als Tibet móet vrij. We zijn in dit van oorsprong protestantse land goed thuis in het idioom van het straatprotest tegen wantoestanden, ook als die zich ver van ons bed voordoen. Er loopt een duidelijke lijn tussen het eenzame protest van de Amsterdammer tegen de Chinese bezetting van Tibet en de uitingen van verontwaardiging over de ophanden zijnde deelname van de nationalistische FP & Ouml; aan de nieuwe regering van Oostenrijk, die de afgelopen week vanuit Den Haag en hoofdsteden elders opklonken. Niettemin is er in beide gevallen tegelijk de vraag: waar bemoeien we ons mee?

In het eerste geval lijkt die vraag het meest relevant, want Tibet ligt een stuk verder weg dan Oostenrijk. In dat licht vroeg de Chinese ambassadeur, toen de Tweede Kamer zich in het begin van de jaren zeventig voor erkennning van de Vietcong uitsprak, aan een lid van de Nederlandse regering of hier alles zo goed was geregeld dat we ons intensief met gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld konden bezighouden. Met zulke subtiele spot kon een diplomaat destijds nog scoren, een kwart eeuw later ligt dat anders. In september vorig jaar verklaarde minister van buitenlandse zaken Jozias van Aartsen (VVD) ten overstaan van de Verenigde Naties, dat 'mensenrechten belangrijker zijn dan nationale grenzen' en zélfs dat, hoewel die waarneming betwistbaar is, daarover wereldwijde consensus bestaat. Hij bekrachtigde een inzicht dat in het Kosovo-conflict vorig voorjaar gestalte kreeg in de acties van de Navo tegen het regime-Milosevic. De grondslag voor dat ingrijpen lag niet in het internationale volkenrecht, maar in de hoger aangeslagen beginselen van burgerlijke rechten en vrijheden.

Het gevolg van deze omslag is dat de Amsterdammer met zijn protestdoek tegen China niet langer een zonderling is, maar iemand die op het volste begrip van onze minister van buitenlandse zaken kan rekenen. Dat betekent niet dat deze minister ook direct bereid is de Chinezen op dezelfde wijze als de Serviërs tot de orde te roepen. Sterker nog, toen Nederlandse F-16's bommen op Belgrado lieten vallen, wandelde koningin Beatrix vriendelijk glimlachend over het Plein van de Hemelse Vrede in Bejing. Hoewel niemand in ernst zal verlangen dat we met bommenwerpers op Chinezen afgaan, is het grote verschil in benadering wel pijnlijk. Niettemin zijn er goede gronden - veiligheid en stabiliteit - om dat verschil te verdedigen. Op dit vlak gaat Goethe's woord op, dat jede Konsequenz zum Teufel führt.

Tegelijk is duidelijk dat hypocrisie op de loer ligt. Minister van verkeer en waterstaat Netelenbos (PvdA), een fervent alpiniste, liet deze week weten dat ze de Oostenrijkse bergen zal mijden als de FP & Ouml; van Haider gaat meeregeren. Zou ze zoiets ook met betrekking tot China zeggen, waar voor het Nederlandse bedrijfsleven grote belangen op het spel staan? Ook haar partijgenote D'Ancona verklaarde dat ze Oostenrijk boycot zolang Haider daar op het pluche zit. In deze beide gevallen lijkt er sprake van een reflex, daterend uit de tijd dat politiek correcte progressieve Nederlanders de dictaturen Spanje, Portugal en Griekenland meden en er bij de groenteboer op toezagen dat deze geen Chileense appels en Zuid-Afrikaanse sinaasappelen in hun boodschappentas stortte.

Voornaamste bezwaar tegen zulke exclamaties is niet dat ze nogal vrijblijvend zijn en naar hypocrisie neigen, maar dat ze tamelijk primitief zijn in het licht van de veranderingen in de buitenlandse politiek en de vorming van de EU. Die ontwikkelingen houden niet in dat we ons afzijdig moeten houden van het griezelige experiment in Oostenrijk, waarbij een partij gaat meeregeren die vreemdelingenangst voedt. Integendeel, als mensenrechten belangrijker zijn dan nationale grenzen, geldt dat zeker binnen de unie. Dat betekent dat er een grondslag is voor de lidstaten om Oostenrijk rechtstreeks aan te spreken, maar net zo goed dat Oostenrijk is gehouden de waarden waarvoor de unie staat, te eerbiedigen.

Nog los van een gevaarlijk averechts effect, is het daarom voorbarig en oneuropees Oostenrijk nu te isoleren, laat staan de koningin, die wel haar charme in China mocht ontplooien, te verbieden in Lech te skiën. Premier Kok bande deze week in de Tweede Kamer bij voorbaat de hyprocrisie en vrijblijvendheid uit met zijn standpunt dat het de voorkeur verdient het nieuwe Oostenrijkse kabinet 'met ijzeren precisie' en 'grote alertheid' op zijn programma en daden te beoordelen. Dat biedt ruimte voor bemoeizucht, die niet vrijblijvend is maar betrokken.

mailIcon print |