Amerikaanse presidenten worden niet gekozen op hun buitenlandse beleid. Maar eenmaal aan het roer van een machtige mogendheid, moeten ze het wel voeren. George W.Bush c.s. pleiten voor terughoudendheid. De vraag is of hen dat gegund is.
,,De Amerikaanse 82ste luchtlandingsdivisie (roemrucht in vele oorlogen) is er niet om kinderen naar de kleuterschool te begeleiden.'' De opmerking is van Condoleeza Rice, adviseur buitenlands beleid van Republikeins presidentskandidaat George W.Bush, en ze had het, in één van de zeer weinige keren dat 'het buitenland' in de verkiezingscampagnes aan bod kwam, over kinderen op de Balkan.
Kandidaat Bush wordt zo goed als zeker president en aangezien het ook vrijwel zeker is dat mevrouw Rice zijn veiligheidsadviseur in het Witte Huis wordt, zegt die opmerking iets over de buitenlandse politiek die de regering-Bush wil volgen. Sleutelwoord daarin is 'terughoudendheid' als het gaat om Amerikaans militair optreden in de rest van de wereld. De vraag is of een Amerikaanse regering, van welke snit dan ook, dat gegund is.
Terughoudendheid ligt ook oud-generaal Colin Powell, die hoogstwaarschijnlijk minister van buitenlandse zaken wordt, op de lippen bestorven. Niet voor niets staat zijn naam voor de Powell-doctrine, de theorie die uiterste voorzichtigheid en terughoudendheid gebiedt voor elk Amerikaans militair optreden.
Rice maakte haar opmerkingen overigens nadat Bush zelf zijn welhaast spreekwoordelijk gebrek aan kennis van buitenlandse zaken had geëtaleerd, toen hij liet weten dat Europa maar eens grondtroepen in de Balkan moest legeren en niet alles aan de Verenigde Staten moest overlaten. Terwijl op dat moment er zo'n zestigduizend Europese militairen in de Balkan aanwezig waren om er de vrede te handhaven, tegen zo'n elfduizend Amerikanen.
Rice moest een en ander rechttrekken, en haar 'nadere verklaring' luidde dat Bush, als hij president zou worden, zou pogen die elfduizend Amerikanen uit de Balkan terug te halen, want die 82ste luchtlandingsdivisie is er immers niet om ....enz, en de Balkan moest maar eens een hoofdzakelijk Europese verantwoordelijkheid worden. Zodat de VS crises in andere delen van de wereld konden bezweren, daar waar onder meer vitale Amerikaanse belangen in het geding waren, als de Perzische Golf en de Straat van Taiwan.
Een verdeling van internationaal optreden die in verschillende Europese hoofdsteden weer tot lichte paniek leidde, want daarmee zou de samenwerking in het Altlantisch bondgenootschap op de tocht komen te staan. Democratisch kandidaat Al Gore probeerde er in de campagne nog munt uit te slaan door Bush' voorstel een gevaar voor het Navo-bondgenootschap te noemen, dat immers ,,zonder Amerikaans leiderschap en Amerikaanse betrokkenheid niet bereid is tot handelend optreden''.
Maar dat mocht niet baten, vrijwel niemand in de VS maakte zich er duk om, waarmee opnieuw een aloude stelling werd bewezen dat de Amerikaanse burger niet maalt om de buitenlandse politiek van zijn president, in ieder geval niet in verkiezingstijd. Dat is na de Vietnam-oorlog, die toch enorme beroering heeft gewekt in de Amerikaanse maatschappij, eigenlijk een vreemd verschijnsel. Het is ook vreemd omdat elke Amerikaanse burger kan weten dat een machtige mogendheid zich hoe dan ook bemoeit met de rest van de wereld. En dat geldt zeker voor het huidige Amerika, na de Koude Oorlog de enig overgebleven supermacht.
Bush, geen groot kenner van zaken op buitenlands gebied misschien, maar ook geen betweter, zal dat buitenlandse beleid zeker voor een belangrijk deel overlaten aan zijn deskundigen, onder wie Rice en Powell. Maar als Bush ooit nog eens een Palestijnse leider en een Israëlische premier over de vloer krijgt, en dat is vrijwel zeker, is het toch handig dat hij weet hoe Jeruzalem in elkaar steekt en wat in grote trekken de knelpunten zijn tussen Israëliërs en Palestijnen.
Ook Bush en de zijnen zullen, misschien meer dan hen lief is, zich met 'het buitenland' moeten bemoeien. Bush' stellingname dat Amerika op buitenlands gebied sterk moet zijn, maar ook een 'bescheiden natie' die 'zijn arrogantie' aflegt, klinkt sympathiek. Maar zodra er vitale Amerikaanse belangen in het geding zijn, buitenlandse pressie en binnenlandse opinie roepen om Amerikaans ingrijpen, moet er een antwoord komen uit Washington en kan er gauw een einde komen aan die bescheidenheid.
Want een ding is ook zeker, een grote mogendheid doet het niet snel goed en kan makkelijk van arrogantie worden beschuldigd. Een grote mogendheid maakt sneller vijanden dan vrienden, wordt eerder gevreesd dan geliefd. De ontwikkeling van het Amerikaanse raketschild, die Bush wil voortzetten om de boze buitenwereld buiten de deur te houden, zal in veel landen toch al niet als een daad van bescheidenheid worden gezien.
En tenslotte was het Colin Powell, toen voorzitter van de verenigde chefs van staven, die met al zijn terughoudendheid, in 1990 mede verantwoordelijk was voor het sturen van maar liefst vierhonderdduizend man Amerikaanse troepen naar de Golf.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.