De strijd tussen christenen en moslims op de Molukken lijkt zich als een olievlek uit te breiden. Op Java dreigen moslims met een heilige oorlog en op Sulawesi lijken gevluchte Molukkers elkaar alsnog naar de keel te vliegen. Dit religieuze geweld is deels economisch gemotiveerd. Ook andere provincies worden geteisterd door conflicten die niet alleen een religieuze, maar ook een economische en etnische grond hebben. Dat levert een explosieve cocktail van motieven op.
Oost-Timor, Atjeh, Molukken, Irian Jaya, Riau, Zuid-Sulawesi en West-Kalimantan stonden het afgelopen jaar in het teken van geweld. In de meeste provincies riep de autochtone bevolking om onafhankelijkheid van Jakarta. Vijftig jaar lang probeerden de leiders in Jakarta (Soekarno, later Soeharto) uit alle macht de gewesten bij elkaar te houden. Java was overheersend, Jakarta de dynamische hoofdstad, waar alle macht geconcentreerd was. De opbrengsten van de andere eilanden vloeiden automatisch richting Java. Tegelijkertijd verhuisden veel Javanen in het kader van de transmigratiepolitiek naar de andere gewesten. De schaarse welvaart in die provincies verdween voornamelijk in hun zakken.
In Atjeh en Riau hebben Javanen het gas en de olie in handen. De opbrengsten uit de rijke bodemschatten (goud, koper en diamanten) van Irian Jaya en Kalimantan gaan linea recta naar Jakarta. Hoewel bijvoorbeeld het conflict op West-Kalimantan voornamelijk als een conflict tussen christelijke Dajaks en islamitische Madurezen gezien wordt, zijn de onderliggende redenen economisch: de Madurezen hebben de goede banen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.