*

 
dossier

Archief

De oude Stam

Hugo Pos, oktober 2000 − 18/11/00, 00:00

De schrijver en jurist Hugo Pos is afgelopen weekeinde overleden. Kort voor zijn dood stuurde hij De Verdieping een verhaal dat hij net had geschreven. Het gaat over de ontmoeting met een collega aan diens sterfbed.

Na mijn overplaatsing naar Arnhem was het contact, dat toch nooit innig was geweest, sporadisch geworden. Dat neemt niet weg dat ik hem, toen ik op mijn beurt aan het pensioen toe was, - hij was inmiddels weduwnaar - zo af en toe ging opzoeken. Omdat hij bij mij in de buurt woonde kostte dat niet de minste moeite en zo onderhield ik een vorm van contact die anders de mist in zou zijn gegaan. Het lopen ging hem steeds moeilijker af en het feit dat ik tweehoog woonde in een huis zonder lift maakte dat van een bezoek van hem aan mij geen sprake kon zijn. Het kwam er dus op neer dat het onderhouden van het contact van mij moest uitgaan.

Mijn schaarse bezoeken vonden altijd plaats in het middaguur tegen borreltijd. Hij had dan de oude Bokma al koud staan en had voor kaasstengels gezorgd. Wel kreeg je, als hij in de lage stoel wegzakte, de indruk dat hij er niet meer zonder hulp uit zou komen, maar dat bleek niet het geval te zijn, want toen ik eens mijn arm uitstrekte om hem bij het opstaan te helpen werd dat aanbod resoluut afgeslagen. Wat mij bij binnenkomen in de kamer trof waren de talrijke schilderijen die aan de muur hingen, kennelijk van een en dezelfde schilder, van hem.

Werk van een andere schilder zou zich daartussen niet op zijn gemak hebben gevoeld. Nu, zoveel jaren later, weet ik niet eens meer wat ze voorstelden, alleen het grote aantal is me bijgebleven. Hij vertelde me, niet weinig trots, dat hij met een van zijn schilderijen een prijs had gewonnen bij een door een museum uitgeschreven competitie voor amateurschilders. Win ston Churchill schilderde naast metselen ook en was daar niet minder trots op, bedacht ik.

Ik vertelde hem dat de Sticusa, de stichting voor het onderhouden van culturele uitwisseling tussen Nederland met Suriname en de Nederlandse Antillen, een collectie schilderijen van koningin Wilhelmina naar Suriname had gezonden om daar in het Cultureel Centrum tentoongesteld te woerden. Door vergeetachtigheid, nalatigheid, - kwade wil, je weet het maar nooit, zal het wel niet geweest zijn - van de administrateur van de instelling bleven de kisten waarin de schilderijen waren verpakt in de loods van de douane liggen. Totdat Sticusa op terugzending aandrong omdat de termijn van uitleen ruimschoots was overschreden. Vanzelfsprekend werd aan dat verzoek aanstonds voldaan, de schilderijen keerden enigszins beschimmeld, maar overigens in goede staat en onder dankzegging voor het gestelde vertrouwen in het moederland terug.

Stam wist me te vertellen van een expositie van zijn schilderijen in het stadje waar zijn vader gemeentesecretaris was geweest. Ik vroeg hem of hij er een paar had verkocht. Nee, zei hij, de huidige gemeentesecretaris wilde uit een soort verbondenheid met een vroegere voorganger er, kosteloos dat wel, twee van hebben om de kale gang van het gemeentehuis op te sieren. Een met een kerktoren en een met een bank in het park.

,,Jij schrijft af en toe wat'', zei hij tegen mij, om te laten uitkomen dat hij zich niet enkel met zijn eigen hobby's bezighield. ,,Ik ben je naam wel eens in Het Parool tegengekomen.'' ,,Ja'', zei ik , ,,zo af en toe schrijf ik een recensie in de krant over Surinaamse literatuur.'' ,,O, die'', zei hij, zonder er verder op in te gaan, het aan mij overlatend om uit te maken hoe hij over dat soort literatuur dacht.

Of Stam vaak visite kreeg weet ik niet, hij liet zich daar niet over uit, het was hem ook niet aan te zien dat hij daarop zat te wachten. Niet dat hij bij mijn opstappen opgelucht ademhaalde, maar zijn 'aardig dat je nog eens langs bent gekomen' duidde er ook niet op dat hij naar een spoedige herhaling van mijn bezoek uitzag. Telkens weer als ik al buiten stond realiseerde ik mij dat we het niet over onze periode van samenwerking op de rechtbank hadden gehad. Waren we dat onderwerp om gevoelige snaren te vermijden uit de weg gegaan of was onze interesse, nu we ons niet meer over strafzaken hoefden te buigen, zodanig geslonken dat we de ons toegemeten tijd beter aan andere zaken konden besteden. Het oprakelen van oude strafzaken die in de woelige jaren zestig veel stof hadden doen opwaaien lag tussen oudgedienden voor de hand. En toch deden we het niet.

In die periode zaten Stam en ik in dezelfde kamer van de Amsterdamse rechtbank. Hij was als vice-president voorzitter van de strafkamer waarvan ik deel uitmaakte. Het derde lid was een pasbenoemde rechter met een open oor voor de diverse kolkende stromingen in de maatschappij. Ik kan niet zeggen dat in de raadkamer, waar alles dat er besproken wordt geheim dient te blijven, altijd pais en vree heeft geheerst. Niet dat er met de vuist op tafel werd geslagen, - een dergelijk onbeheerst gedrag is binnen deze beroepsgroep welhaast ondenkbaar -, maar het verschil van inzicht over de strafwaardigheid van de nieuwe vormen van onmaatschappelijk gedrag was groot en moeilijk overbrugbaar.

Het rumoer rondom het Lieverdje, de onvatbaarheid van Provo, de anti-Vietnam demonstraties, de Maagdenhuisbezetting, bouwvakkersoproer, marihuana, krakers, hij moest er niets van hebben, het ketste allemaal op hem af. Een ingezonden brief in de krant vond hij de meest passende en afdoende reactie om op ongewenste toestanden te reageren.

Het was aan zijn grimmig soort humor te danken dat het nooit tot een breuk tussen ons is gekomen. Dat, maar ook onze bewondering voor de wijze waarop hij als het om van oudsher hem bekende zaken ging met de verdachten omsprong. Daar konden wij met onze gepolijste humanistische begrippen niet aan tippen. Dan leek het erop of twee routiniers elkaar weer eens op vertrouwd terrein ontmoetten. De beide partijen, rechter en verdachte, herkenden elkaar en elk wist precies wat van de ander verwacht mocht worden. Het vraag - en antwoordspel leek dan soms meer op het oprakelen van oude herinneringen waaraan, om het levendig te houden, een nieuw al of niet opzienbarend feit was toegevoegd. Het zou bij zo'n recidiverende inbreker bijvoorbeeld niet opkomen om tegenover deze Edelachtbare - Stam dus - de inbraak te ontkennen en Stam wist zich van deze hem bekende persoonlijkheden, want dat waren zij voor hem, al de specialismen, waarin ze zich van elkaar onderscheidden haarscherp te herinneren. Wij, de bijzitters, hoefden het niet in ons hoofd te halen om een vraag te stellen, dat zou alleen maar storend werken op en afbreuk doen aan hun in de loop der jaren vastomlijnde rollenspel.

Het kwam zelden of nooit voor dat een delinquent van het oude slag in beroep ging tegen het vonnis, waarom zou hij, hij wist uit jarenlange ervaring wat er uit de bus zou komen en het leek wel of niet de rechter, maar hijzelf de strafmaat bepaalde. Ik moet toegeven dat Stam voor mij de typische trekken van een voorbijgaand tijdperk vertegenwoordigde en terwijl ik me daartegen afzette had ik toch een zeker respect voor de op een lange traditie stoelende manier waarop hij zijn zienswijzen uitdroeg.

De stem van de voorzitter weegt niet zwaarder dan die van de andere leden en zo kwam het dat Stam zich vaak noodgedwongen moest neerleggen bij de mening van de twee anderen. Aangezien hij als de voorzitter wel degene was die op de openbare zitting veertien dagen later het vonnis moest uitspreken moet dat voor hem een dubbele kwelling zijn geweest.

Gescholden heeft hij nooit. Het zwaarste verwijt dat een enkele maal over zijn lippen kwam was een vrijwel onhoorbaar gemompel: communisten. Bij mijn bezoeken aan Stam was van dit alles niets meer te merken. De goede omgangsvormen die we steeds in acht hadden genomen konden zo op het oog voor een vorm van vriendschap doorgaan, hoewel van enige vertrouwelijkheid tussen ons nooit sprake is geweest.

Stam werd op de rechtbank door collega's en personeel de oude Stam genoemd. Hij was ook wel het type van een oude brombeer, een vroegtijdig gerimpeld gezicht met zware wenkbrauwen, licht voorovergebogen met het hoofd, zo leek het wel, op zijn schouders rustend. In tegenspraak met dat beeld waren zijn grijze ogen zeer levendig, het is te begrijpen dat hij later, toen hij intensief was gaan schilderen, de natuur aandachtig moet hebben bekeken en opgenomen, alvorens die indrukken thuis gekomen op het doek vast te leggen.

Ik was enigszins verbaasd toen ik door zijn dochter gebeld werd: ,,Mijn vader is ernstig ziek, het is aan het aflopen en hij zou het prettig vinden als u hem kwam opzoeken.'' Ik antwoordde dat ik nog diezelfde middag langs zou komen. Toen ik de telefoon had neergelegd vroeg ik me af hoe het toch kwam dat Stam juist naar mij had gevraagd. Als ik op sterven had gelegen was het vast en zeker niet bij me opgekomen om Stam aan mijn bed te noden. Waarom deed hij het dan wel? Veel tijd om daarover te piekeren had ik niet en ik nam niet aan dat de zieltogende Stam mij tekst en uitleg zou geven van zijn onverwachte belangstelling voor mijn persoon.

Er zullen misschien gedragscodes bestaan hoe je je aan het bed van een heel zwaar zieke dient te gedragen. Maar ook zonder instructie voel je aan dat je een bijna dode niet met ingewikkelde vragen mag lastig vallen, al zou ik nog zo graag hebben willen weten wat hem heeft bezield om op dit late uur naar mij te vragen. Omdat ik wist dat Stam op decorum gesteld was deed ik een bij deze afscheidsvisite passende das om. Het was even zoeken welke, de zijden grijze droeg ik enkel nog bij begrafenissen.

Op weg naar zijn huis nam ik me voor me zo gedeisd mogelijk te gedragen, mijn aanwezigheid aan het ziekbed ging immers niet van mij uit. Ik had geen flauw idee van wat hij mij te zeggen had, maar wat het ook mocht zijn, ik zou het gelaten aanhoren. Toen ik aanbelde werd ik door zijn dochter opengedaan. ,,Hij is er slecht aan toe'', zei ze. ,,Hij praat nauwelijks meer, ik denk niet dat hij u nog zal herkennen.''

Ik trad de slaapkamer binnen. Stams ogen waren gesloten, hij ademde diep, een vreemdsoortig snurkend geluid, waar ik even aan moest wennen, vulde de kamer. Het was duidelijk dat hij mij niet meer herkende. ,,Wilt u niet wat drinken?'', vroeg de dochter, ,,straks komt de dokter.'' Ze ging de kamer uit om een kop koffie voor me te halen. Ik keek naar Stam zoals hij daar lang uitgestrekt op het bed lag.

Zijn brede borstkas bewoog heftig op en neer. Maar wat mij intrigeerde en waar ik mijn ogen niet vanaf kon houden waren de bewegingen van zijn rechterhand. Diezelfde wijsvinger die ik hem op de rechtbank tijdens de zitting zo vaak had zien ronddraaien, tegen de wijzers van de klok in, bewoog nu zonder ophouden in dezelfde richting. Ik herkende die beweging van die vinger maar al te goed.

Vervolg op pagina 19

De oude stam

Vervolg van pagina 17

Niet voor niets had ik een paar jaar lang als oudste bijzitter aan zijn rechterhand gezeten, wachtend op het moment dat de vinger weer in beweging zou komen om uitdrukking te geven aan dat wat in het brein van Stam besloten lag. Wat anders misschien voor een willekeurige nietszeggende zenuwtrek zou kunnen worden gehouden had ik doorgrond als een onfeilbaar teken dat de beslissing, schuldig of onschuldig, in de strafzaak die wij aan het behandelen waren door hem al genomen was.

Wat bezielde Stam om op zijn sterfbed deze beweging, deze afwijzing, deze veroordeling, te herhalen? Er was op dit moment niemand in de kamer behalve ik. Hij zal u wel niet meer herkennen, had zijn dochter gezegd, maar was dat wel zo? Sloeg dat teken, als ik het een teken noemen mag, niet op mij als een late terechtwijzing voor mijn vroegere stellingnamen, die keer op keer met een zekere vanzelfsprekendheid, wat het in zijn ogen des te erger maakte, naar voren werden gebracht?

Had ik door mijn opkomen voor het nieuwe, veranderlijke in de maatschappij hem miskend, hem teruggewezen naar een wereld die op het punt stond voorgoed ten onder te gaan? Had hij in mijn doorzichtige al te beleefde tegenspraak een vorm van meewarigheid gevoeld voor een oudere collega, wiens opvattingen straks op de schroothoop van de geschiedenis, zoals dat zo mooi heet, zouden terechtkomen? Ik tornde aan het bestel en het bestel was in zijn ogen heilig, niet de bovenaardse heiligheid van de pastoor en de dominee, maar de heiligheid van alledag, van het bestaan in dit land, de regelmaat, houvast. Hoe kan iemand, vroeg hij zich af, die zelf deel uitmaakte van het bestel en zich daarin kennelijk thuis voelde met een zekere wellust aan dat instituut, deze bestaanszekerheid knabbelen tot het op een kwade dag in elkaar zou zakken, en wat dan?

Hij begreep heus wel wat zijn twee bijzitters van hem dachten, maar hij was niet van plan ook maar een duimbreed te wijken en toe te geven aan hun vernieuwingszucht. Tegenover hun bij het tijdsbeeld passende denkwijzen plaatste hij koppig zijn vasthoudendheid: wacht maar baasjes, wat vandaag is, is morgen niet meer dan een oprisping in de tijd. Had hij daarom naar mij gevraagd om mij nu het nog kon voor te houden waarin ik had gefaald, in de raadkamer onbezonnen standpunten had ingenomen en verdedigd en kon hij, nu hij niet meer bij machte was om te spreken, dit alleen maar door het bewegen van zijn wijsvinger kenbaar maken?

Gefascineerd keek ik naar die ronddraaiende vinger in de stille hoop dat ze toch nog de andere kant op zou gaan, de veroordeling opheffen, de vrijspraak inluiden. Het zware lichaam van Stam hield voor mij op te bestaan, het enige dat telde was dat ene gebaar waarvan ik niet wist of ik de betekenis ervan ten volle begreep. Ik merkte niet eens dat de dochter met een kopje koffie in de kamer was teruggekeerd. Het moet haar zijn opgevallen dat ik als versteend naar die ronddraaiende vinger stond te kijken en dat ze me als het ware uit die verstarring terug moest halen.

Ik voelde me betrapt en dronk schielijk de koffie op, begreep dat nu de dokter op komst was aan mijn bezoek een einde was gekomen, mompelde zachtjes bijna onhoorbaar 'adieu, oude Stam' en verliet de kamer. Alvorens me uit te laten vroeg de dochter me: ,,Heeft hij nog iets gezegd?'' ,,Nee'', zei ik, en omdat ik mijn prangende nieuwsgierigheid niet kon bedwingen vroeg ik op mijn beurt: ,,die draaiende beweging met zijn vinger, deed hij dat de laatste tijd wel eens meer?'' ,,Ik heb daar om u de waarheid te zeggen nooit zo opgelet. Vreemd dat u dat is opgevallen.'' Het hield haar niet bezig. ,,Jammer dat hij u niet meer heeft herkend.''

Ik ga met een wee gevoel naar huis. Wat heeft het allemaal te betekenen? Heeft de oude Stam al die jaren zoveel wrok tegen mij opgepot dat hij niet rustig kon doodgaan zonder het mij onder de neus te wrijven? Belachelijk, al die jaren je mond te houden en doen of er niets aan de hand is en dan op het laatst, wanneer tegenspraak niet meer mogelijk is, ermee voor de dag te komen. En hoe? Door mij terug te voeren naar de discutabele tijd toen we samen in de strafkamer zaten en onze standpunten vaak op elkaar botsten.

Hoe vaak heb ik niet naar dat onzinnige gedraai van zijn rechterwijsvinger gekeken en daaruit zijn gedachtegang afgelezen. Nietsvermoedend stond de advocaat van de verdachte voor dovemansoren te pleiten. Luisterde Stam nog, of was het voor hem een uitgemaakte zaak dat het pleit al beslist was? Hebben raadslieden en journalisten daar nooit erg in gehad wat die rare kronkelbewegingen van de vinger wel te betekenen hadden? Ook al zou hij nog zo'n begenadigde rechter zijn geweest, wat heeft het voor zin om mij op zijn sterfbed te laten merken dat ik in zijn ogen niets meer of minder dan een verdachte ben die nu uiteindelijk zonder zich op verjaring te kunnen beroepen aan een veroordeling toe is.

Wat een pervers genoegen moet die oude rekel gehad hebben toen hij mij onverhoopt aan zijn sterfbed zag staan. En de weinige kracht die hem nog restte heeft hij benut om mij te kunnen vertellen hoe hij over mij en mijn in zijn ogen potsierlijke meningen dacht. Want zo moeten mijn overtuigingen hem in de oren hebben geklonken. Praatjes, niets dan fratsen, onbetrouwbaar, communisten. Dat allemaal onverstaanbaar afgedekt door zijn typische brombeergemompel, dat door mij nota bene als een Stamse variant van humor werd opgevat.

Ik zal het mijzelf nooit kunnen vergeven dat ik hem niet op de man af heb gevraagd of hij wel begreep in welke tijd hij leefde. Of dacht hij soms dat het voortdurend terugblikken naar de toverlantaarn van een denkbeeldig verleden iets was om prat op te gaan. Terugkeer naar wat, naar stabiliteit, status-quo, onwrikbaarheid, de hypocrisie van de ja-broers?

Maar zelfs als die oude dwaas en ik onverzoenlijke tegenstanders zouden zijn geweest 'quod non', moet hij daarom nu na zoveel jaren, waarin de strijdbijl allang begraven was, ineens zijn stiekeme gram op mij richten en er zelf lafhartig vandoor gaan. Want dat is het juist wat mij zo woedend maakt, ik kan niets meer tegen hem aanvoeren, hij heeft vergeten of willen vergeten dat elke verdachte in een strafzaak het recht van het laatste woord heeft. Zelfs dat recht heeft hij mij ontnomen, die schobbejak.

Alles waarop hij al die jaren nauwlettend heeft toegezien, de tot in de kleinste details nauwkeurige omschrijving van het misdrijf dat aan de beklaagde ten laste wordt gelegd, heeft hij in één klap van tafel, of in dit geval van zijn bed, geveegd. Alles heeft hij in het midden gelaten, het aan mij overlatend de precieze inhoud van de aanklacht in te vullen. In het wilde weg iemand aanklagen en dan nog veroordelen ook, geen rechter zou zich tot zoiets mogen verlagen.

Ik beschouw het als een overval, een doortrapt gemene overval. Terwijl ik rustig in mijn kamer wat zit te lezen word ik als een dokter in de wachtdienst opgeroepen om een zieltogende patiënt bij te staan. En wat voor een. Een wraakzuchtige oude nijdas, die in een quasi-doodsslaap gedommeld een eindoordeel over mij zal gaan uitspreken. Waarom maak ik mij eigenlijk kwaad, waarom wind ik me erover op in plaats van mijn schouders op te halen en met een paar verwensingen voor goed afstand te nemen van die dooie rakker? Ik ben geen gelovige, als Gods vinger mij niets meer zegt, hoe kan dan die wijsvinger van die snurkende malloot zo'n grip op mij krijgen dat hij heel mijn denken en huishouden in de war stuurt. Ik neem het mezelf kwalijk dat het zo is, maar ik kan er niet omheen.

Mijn zelfgenoegzaamheid, ja, hoe noem je zoiets dat het meeste wegheeft van het prettig voldane gevoel na een maaltijd in een goed restaurant, heeft een geduchte knauw gekregen. Misschien was mijn weerzin, mijn geschokt zijn voortgekomen uit iets wat al een hele tijd in mij broedde, wat nog geen vorm had gekregen, dat niet mocht doorbreken, afgehouden moest worden, niet aan het licht komen.

Was dat wat ik als mijn oprechte overtuiging telkens naar voren had gebracht na verloop van tijd al even weinig waardevast gebleken als Stams toenmalige geborneerdheid? Zou ik ooit tegenover mezelf hebben durven bekennen dat mijn ideeën van toen nu even versleten en afgedankt zijn als toen de zijne? Het lijkt wel of de geschiedenis met een poetsdoek over het zilver raast dat maar niet helder glanzend te krijgen is. Ben ik daarom zo van mijn stuk gebracht omdat die oude leperd mij heeft opgezadeld met een brok inzicht dat ik tot nog toe ver van mij had gehouden? Was ik met mijn eertijds gulzig inhaleren van al het nieuwe dat de versteende maatschappij bezig was open te breken nu ouder geworden niet aardig op weg om zelf een monoliet te worden?

De verdomde Stam heeft me in mijn hemd gezet, erger nog, in mijn onaanzienlijke oude blote lijf. Zelfontdekking, is dat een bestaand woord of is dat een woord dat als het niet bestaat er eigenlijk had moeten zijn? Want waar ik nu door toedoen van die dooie Stam mee bezig ben is een niet vrijwillig ondernomen ontdekkingsreis. Hoe ziet het er van binnen uit, begin ik mij af te vragen, terwijl ik het het liefst niet zou willen weten, niet uit schaamtegevoel, maar omdat ik geen geleuter kan uitstaan, al ben ik degene die nu, want anderen zijn er niet, daarmee begonnen ben.

Het enige dat telt, dat zwaar weegt, is het feit dat de tijd inmiddels door mijn vingers is geglipt, niet meer te achterhalen is, mij heeft achtergelaten, en met wat? Met het gepasseerd imago van een overtuigd linkse intellectueel uit de jaren zestig. Wacht maar baasje, heeft Stam gedacht, ook jullie zullen eraan moeten geloven, de tijd ontziet geen

sterveling, wacht maar. Hij heeft geen geheim meegenomen in het graf, integendeel, hij heeft mij een legaat achtergelaten waar hij geen notaris voor nodig had.

Moet ik hem daar dankbaar voor zijn? Het staat me toch vrij om dat legaat niet te accepteren, het te verwerpen, maar kan ik dat? Stam was geen licht ontvlambare natuur. Dat ben ik ook niet, er zal dus geen duel tussen ons plaatsvinden, floret en sabel kunnen in de schede blijven, met een dode duelleer je niet in lijfelijke zin, daar gaat het anders toe. Kennelijk hebben de woorden en in dit geval de gebaren van een bijna-dode nog een zekere atavistische macht die je niet losjesweg van je af kan schudden.

Ik voelde aan dat ik steeds meer betrokken raakte bij de onderliggende verborgen bedoeling die achter die ronddraaiende vinger stak, ik begon me af te vragen of ik de verwijten die op mij af kwamen wel zou hebben kunnen ontzenuwen als het ooit daartoe was gekomen. Als het mogelijk was om die gedachten af te grendelen, af te sluiten, ze desnoods op een allesverterend houtvuur te leggen, dan had ik dat gedaan. Maar er was geen kluis, er was geen vuur, ze bleven maar bij me opkomen, ik tegen Stam, Stam tegen mij en wat het ergste was, ik contra ik.

Ruim een maand na de crematie belt de dochter van Stam mij op.

,,Stoor ik?''

,,Welnee, in het geheel niet.''

,,Ik ben u een bekentenis schuldig.''

,,Een bekentenis?''

,,Ja, ik zei tegen u dat mijn vader naar u had gevraagd. Dat is niet zo. Toen de situatie van mijn vader snel verslechterde heb ik gedacht dat om hem wat af te leiden het goed zou zijn als er iemand uit zijn rechtbanktijd wat met hem kwam praten. Alleen maar de dokter en mijn naaste familie, en dat zijn er maar een stuk of twee, dat was het dan. Omdat er niemand uit die tijd in de buurt woonde heb ik u maar gebeld. Vergeef mij het leugentje dat hij speciaal naar u heeft gevraagd. Ik ging ervan uit dat de heren elkaar wel mochten, als u hem kwam opzoeken moest ik van hem voor de kaasstengels zorgen.''

,,Mogen, ja dat is ook zo, ik ben blij dat u dat hebt gedaan.''

,,Wat bedoelt u? Het leugentje?''

,,Nee, natuurlijk, dat u mij hebt laten komen. Ik heb van uw vader, van de oude Stam, zoals wij hem noemden, nog net op tijd afscheid kunnen nemen.''

,,Het is jammer dat hij u niet meer herkend heeft.''

Nu waagde ik het erop. Ik wilde mezelf zekerheid verschaffen, elk spoortje van twijfel wegwissen. Dat Stam behoorlijk doof was wist ik, maar toch.

,,Ik weet het nog zo net niet. Het kan zijn dat hij mijn stem herkend heeft toen we samen in de kamer aan het praten waren.''

,,Nee, dat echt niet. We praatten zachtjes en zijn beide gehoorapparaten lagen op zijn nachtkastje. (Dat had ik natuurlijk ook wel opgemerkt. Ze lagen naast zijn beide prothesen, tussen een aantal medicijnen.) Jammer.''

Nu had ik bevestigd gekregen wat ik uit haar mond wilde horen. We lieten het onderwerp rusten en praatten nog wat na. Over zijn schilderijen. Ze had ze in haar flat allemaal opgeslagen.

,,Het zijn er zoveel. Mag ik ter herinnering aan mijn vader u er eentje geven?''

Je kunt met goed fatsoen niet nee zeggen op zo'n spontaan en echt gemeend aanbod. ,,Ik vind dat heel bijzonder van u'', zei ik. ,,Ik zal er een mooi plaatsje voor zoeken.'' De zucht van opluchting die ik slaakte toen het gesprek een einde nam was hopelijk niet aan de andere kant van de telefoon te horen. Om bij te komen van deze verrassende gang van zaken schonk ik mijzelf een bel cognac in en met het glas in de hand tuurde ik door het raam naar buiten. Grijze wolken schoven aan de lucht voorbij, het blauw van het uitspansel kwam daartussen zo af en toe tevoorschijn.

Mijn gedachten lagen ook niet stil, ik probeerde daar wat aan te doen en een antwoord te vinden voor de vragen die op mij afkwamen. Was het niet louter toeval dat ik geroepen was om aan het bed van de oude Stam te staan? Het had toch evenzogoed Gijs Spiegel of Karel ten Cate kunnen zijn als ze niet wat verder weg in 't Gooi hadden gewoond. Ach, wat betekent toeval. Daar hebben schrijvers, filosofen en theologen zich het hoofd over gebroken. Alsof het een onoplosbaar vraagstuk is, dat alleen door het inschakelen van zoiets als een voor ons duistere hogere macht te verklaren is. Terwijl toch jaarlijks een bijna precies vast te stellen aantal personen door fiets-, auto-, trein- en vliegtuigongelukken omkomt, net zoals dat met longkanker en andere akelige ziekten het geval is.

Wat ik hiermee zeggen wil? Dat het niets uitmaakt op welke manier ik op die bepaalde middag in de kamer van Stam ben terechtgekomen. Ik ga nog een stapje verder. Tegen vrijwel alles kun je je verzekeren. Tegen ziekten, ongevallen, financiële stroppen, ja, tegen wat niet al. Maar geen enkele verzekeraar kan je tegen zoiets als een vingerwijzing van de oude Stam, tegen het in elkaar storten van je zorgvuldig gekoesterde zelfgenoegzaamheid, verzekeren. Dat bewijst het eenmalige, op een enkel persoon, op mij toegesneden patroon van deze totaal onvoorziene ontluistering.

Het leugentje van Stams' dochter heeft het voordoek opgetrokken, het verscholene zichtbaar gemaakt. Ik heb het idee dat het tussen Stam en mij gelijkspel is geworden. Eerst heb ik voorgestaan en nu heeft hij een paar minuten voor de tijd de gelijkmaker ge scoord. Er staan geen toeschouwers aan de zijlijn, het was een soort binnenkamerwedstrijd die we als twee professionals hebben gespeeld met de toga als shirt en zonder dat er een scheidsrechter aan te pas kwam. Toch is het of ik nu pas het fluitje hoor ten teken dat de wedstrijd is afgelopen. Tijd om naar de koffiekamer te gaan, de shirts uit te trekken, het colbert weer aan te doen.

Ik open het raam, de wolken drijven nog altijd langs de hemel en het liefst zou ik willen dat mijn gedachten mee het raam uitvlogen. Dat zal wel een vrome wens blijven, dat gedoe met die wijsvinger heeft me danig van streek gebracht. Gelouterd ben ik niet, eerder verbouwereerd door mijn eigen afgang en daar tegenover de postume rehabilitatie van de oude Stam. Om daar iets aan te doen besluit ik als een vorm van Wiedergutmachung morgen, als het haar schikt, naar zijn dochter te gaan om het mij toegezegde schilderij op te halen. Het komt niet zomaar verloren in de gang te hangen, maar krijgt een opvallende plaats in mijn slaapstudeerkamer tussen de Piranesi en twee oude Tao-Chinezen.

mailIcon print |