Centraal in het liberale denken staat de notie dat de vrijheidsrechten van alle burgers gewaarborgd dienen te worden. Des te merkwaardiger is het dat sommige liberalen telkens weer de vrijheid van onderwijs ter discussie willen stellen. Zoals de liberale senator Heleen Dupuis, die wil discussiƫren over de vraag of er grenzen zijn aan de in de Grondwet verankerde vrijheid van onderwijs (Trouw van 27 januari). Zij vreest de oprichting van fundamentalistisch-islamitische scholen. Een dag later werd zij door Willem Breedveld dan ook aangeduid als 'mevrouw Bolkestein'.
Ik denk dat we er verstandig aan doen niet alleen te etiketteren, maar allereerst de argumentatie van Dupuis kritisch van commentaar te voorzien. Haar kan worden voorgehouden dat Grondwet en onderwijswetgeving nu reeds tal van grenzen stellen aan de onderwijsvrijheid. Zo zijn er eisen van deugdelijkheid en kwaliteit. Elke school, van welke richting ook, is gebonden aan de wettelijke voorschriften van het leerplan, dat gericht is op de Nederlandse samenleving. En er is een onderwijsinspectie die een en ander in de gaten houdt.
Kennelijk stelt dit Dupuis nog niet gerust. Zij is bang dat op een islamitische school meningen worden geleerd die haar niet bevallen. Die verontrusting is weinig liberaal te noemen.
Belangwekkender is de grens die zij wil trekken, namelijk het niet erkennen van de Grondwet. Het stellen van die eis is als zodanig reeds in strijd met onze Grondwet - en wel met artikel 7 waarin de vrijheid van meningsuiting is neergelegd. Niemand in ons land is verplicht volkomen kritiekloos alle bepalingen van de Grondwet te onderschrijven. Was dit wel het geval, dan zouden de leden van het Republikeinse Genootschap zich wel enige zorgen mogen maken.
Abraham Kuyper heeft eens gezegd dat hij de Grondwet aanvaardde om haar te veranderen. Een dergelijke opvatting is geheel legitiem. De Grondwet bevat immers keurige regels hoe het document gewijzigd kan worden. Kamerleden die de eed van trouw afleggen op de Grondwet doen dit dus ook op de wijzigingsbepalingen.
Dupuis voert evenwel de Grondwet ten tonele op een bedenkelijke wijze. Zij zegt: ,,De Grondwet moet je zien als een gemeenschappelijke publieke moraal, daar dienen ze zich aan te houden.'' Om dat te garanderen wil zij zelfs een loyaliteitsverklaring invoeren. Wat daarvan precies de betekenis en werking zal zijn, vermag ik niet in te zien, wel dat het een weinig Nederlandse vorm van moraliseren is. Kennelijk verlangt zij van burgers een 'politieke geloofsbelijdenis' als toegangsbewijs tot het onderwijs.
Haar opvatting over de Grondwet als een gemeenschappelijke publieke moraal is bovenal een gevaarlijke opvatting omdat ze deels juist is, maar in de wijze waarop Dupuis haar poneert pertinent niet. Waar is dat onze Grondwet de juridische neerslag bevat van politieke en morele opvattingen over de juiste inrichting van ons staatsbestel. Die opvattingen zijn van diverse komaf: monarchale, republikeinse, confessionele, liberale en sociaal-democratische. Er ligt, zoals verschillende malen door de Grondwetgever is bevestigd, geen exclusieve ideologisch overtuiging aan ten grondslag. Ook niet de leer van de volkssoevereiniteit, zoals wel eens wordt beweerd.
Dupuis misbruikt de Grondwet echter als zij dit publiekrechtelijke basisdocument als zodanig verheft tot een 'gemeenschappelijke publieke moraal', die ook nog eens afgedwongen zou moeten worden. Een dergelijke zienswijze mag zonder meer als een fundamentalistische worden aangeduid, want Dupuis gaat er te veel van uit dat de Grondwet historisch uitsluitend het eigendom van liberalen is. De Grondwet beschouwen als een moraalstatuut miskent bovendien het staatsrechtelijk karakter van onze constitutie. Die beoogt op fundamenteel niveau publiekrechtelijke regels te geven voor de inrichting van het staatsbestel, de rechtens vrije sfeer van de burger enzovoorts. Niet meer en niet minder.
Dupuis verwart moraliteit met publiek recht. Een eerste kwalijke consequentie trekt zij zelf al, namelijk het vragen van een loyaliteitsverklaring van burgers. Burgers moeten zich aan de wet houden, meer hoeven en mogen wij niet van hen te vragen. Wat in een volwassen rechtsstaat zeker niet hoeft en kan is het onderschrijven van een publieke moraal. We moeten niet op deze wijze de overheid de rol van zedenmeester laten spelen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.