*

 
dossier

Archief

Gelijkheidsideaal legt het af in de weerbarstige praktijk

S.W. Couwenberg − 05/02/00, 00:00

Menselijke gelijkwaardigheid is in onze moderne cultuur een fundamenteel uitgangspunt in tegenstelling tot voor-moderne culturen. Daar had men namelijk meer rechten en een hogere waardigheid naarmate men hoger op de maatschappelijke ladder stond. Wat wij nu veroordelen als discriminatie, racisme en seksisme, was in die culturen algemeen aanvaard.

Het gelijkwaardigheidsprincipe is in de democratische revoluties der 18e eeuw operationeel gemaakt in universele mensenrechten. Tot medio 20e eeuw bleven die nog geheel of grotendeels beperkt tot de blanke, heteroseksuele man. Vrouwenkiesrecht is in de eerste decennia der 20e eeuw veelal wel erkend, maar had jarenlang maatschappelijk weinig te betekenen. In Nederland is de getrouwde vrouw pas sinds 1956 juridisch handelingsbekwaam en eerst dankzij de tweede feministische golf in de jaren 60 en 70 zet de maatschappelijke gelijkstelling van man en vrouw echt door.

Het gelijkwaardigheidsprincipe is door politiek links vertaald in een gelijkheidsideaal dat niet alleen gelijke rechten stipuleert, maar ook gelijke levenskansen en invloed (via radicale democratisering).

De realisering ervan botst echter op een weerbarstige praktijk. Het meest navrant is dat gebleken in communistische landen. Daar ontstond spoedig een nieuwe heersende klasse, een partij- en staatsoligarchie die een geheel afgezonderd en met privileges omgeven bestaan leidde. Zij stond aan de top van een hiërarchisch opgebouwde standenmaatschappij, waarin men meer privileges genoot, naarmate men hoger op de maatschappelijke ladder stond. Niet de ongelijkheid in bezitsverhoudingen, maar de staats- en partijbureaucratie was daar de bron van grote verschillen in macht, prestige en inkomen.

Ook in onze CPN was er een duidelijke scheiding tussen een artistiek-culturele elite die zich meerwaardig achtte, en de arbeidersaanhang zoals oud-CPN lid en historicus Ger Harmsen onlangs voor de radio verklaarde. Macht en invloed trekken altijd weer samen in handen van weinigen. Overeenkomstig de ijzeren wet van de oligarchie zoals die door de Duitse socioloog R. Michels in 1911 is geformuleerd in zijn Zur Soziologie des Parteiwesens. De socialisten, zo profeteerde hij, kunnen overwinnen (de macht veroveren) maar niet het socialisme. Dit gaat met zijn gelijkheidsideaal ten onder op het moment van de overwinning van zijn aanhangers.

Die ijzeren wet van de oligarchie manifesteert zich steeds weer in alle westerse democratieën op politiek, economisch en cultureel terrein. Uit de emancipatieprocessen van de laatste twee eeuwen zijn telkens nieuwe elites voortgekomen die zichzelf in en door hun emancipatiestrijd nieuwe machtsposities toegeëigend hebben. De Tsjechische schrijver Kafka bracht dit eens scherp onder woorden in een gesprek met een vriend: ,,We kwamen een grote groep arbeiders tegen die met vlaggen en spandoeken op weg waren naar een bijeenkomst. Toen Kafka de groep zag zei hij: 'Achter hen komen al de secretarissen, ambtenaren, beroepspolitici, al de satrapen voor wie zij de weg banen naar de macht. De revolutie verdampt en laat slechts het slijm van een nieuwe bureaucratie achter'.''

De Rotterdamse socioloog prof. G. Engbersen voorziet de komende jaren een gedifferentieerd burgerschap ontstaan met uiteenlopende rechten, met andere woorden eerste-, tweede- en derderangs burgers; en een grotere acceptatie van maatschappelijke ongelijkheid. We zien dit ook in progressief geachte kringen. Dit blijkt bij voobeeld uit het gemak waarmee de sociaal-democratie berust in de snelgroeiende ongelijkheid in levenskansen die het gevolg is van de dynamiek van het hedendaagse kapitalisme. Dat kapitalisme wordt nauwelijks in kritische zin ter discussie gesteld, zoals PvdA-ideologen als Bart Tromp en Paul Kalma constateren in het 20e jaarboek voor het democratisch socialisme. Zij doelen daarbij op de Derde-Weg-koers van de huidige sociaal-democratie. Oppositiepartijen noemen het belastingplan van sociaal-democraat Vermeend een feest voor de rijken. In de Volkskrant betoogt Michael Zeeman dat het gelijkheidsideaal zijn tijd heeft gehad. Hij veegt er de vloer mee aan in bewoordingen die een rechts politicus wel uit zijn hoofd zou laten.

Streven naar gelijke levenskansen blijft ook in het hedendaagse oppermachtige kapitalisme een eis van sociale rechtvaardigheid. Maar een onneembare barrière blijft de ongelijkheid, de willekeur waarmee het levenslot van mensen zich pleegt te voltrekken: de ongelijke verdeling van levenskansen die het gevolg is van allerlei 'toevallige' factoren zoals het milieu en de tijd waarin men geboren wordt; ziekten, verkeersongelukken, zinloos geweld, culminerend in tijden van oorlog, maar ook in vredestijd volop aanwezig stomme pech en andere uitingen van tegenspoed die menselijke ontplooiing verstoren of in de kiem smoren.

Voor velen is die willekeur de reden waarom zij niet langer geloven in een almachtige en rechtvaardige God. Anderen zoeken een antwoord op die willekeur in een christelijk hiernamaalsperspectief of in de filosofie van karma en reïncarnatie. Zonder perspectief op een leven na dit leven in een of andere vorm is dit bestaan met al zijn ongerijmdheden en willekeur moeilijk te rechtvaardigen.

De auteur is hoofdredacteur-directeur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht.

mailIcon print |