Job 2 vers 7 verbeeld op een 18e eeuwse tegel uit Harlingen: 'Toen ging de Satan uit van het aangezicht des Heeren en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.'
Eva kijkt me aan, zonder gêne, al heeft ze net van de verboden vrucht gegeten. Voor het winkelend publiek met weinig iconografische kennis is de voorplaat van het tijdschrift in de tabaksshop een naakte juffrouw die zojuist een hap uit een Granny Smith heeft genomen. Een gewiekste manier om bloot functioneel te maken? Het is de lekkermaker voor een artikel over het kwaad.
De 'zondeval', te vinden op pagina twee van de bijbel, probeert een antwoord te geven op de vraag naar het kwaad in verhouding tot God. Hoe kan de mens, naar diens beeld en gelijkenis gemaakt, verzeilen in Auschwitz - een menselijke vinding? Eva eet van de appel op aangeven van de slang, haar man eet mee en zo is het gekomen, verhaalt Genesis.
Dit antwoord was niet het eerste en zal zeker niet het laatste woord zijn, zodat vele andere, aanvullende en botsende verklaringen zijn ontstaan.
Gistermiddag wijdde de Nijmeegse filosoof Paul Revis een lezing aan de theodicee (de vraag naar God en kwaad) en aan Antwoord op Job, het boek dat C.G. Jung over deze oeroude kwestie schreef. Eerder besteedde Revis - kort - aandacht aan het thema in zijn boekje Filosofie van het numineuze (1998).
'Of Hij geroepen wordt of niet, God zal aanwezig zijn'. Deze spreuk liet C.G. Jung als jonge man boven zijn deur beitelen. Het doorgronden van deze psychoanalyticus vergt enige bijbelse achtergrondkennis; inmiddels is predikantszoon Jung zelf in veel theologie aanwezig. De Duitse ex-priester Eugen Drewermann interpreteert met 'Jung' de bijbel en verslaat daarmee zijn duizenden, net als in ons land ds. Nico ter Linden.
Jung heeft zich intensief beziggehouden met het 'numineuze', de ervaring van iets groters dat fascineert en ontzag inboezemt. De Vreze des He(e)ren is daarvan een voorbeeld. Deze ontzagwekkende huiver speelt een rol in een van de meest overweldigende bijbelpassages, die over Job.
Aan het begin van het bijbelboek met die naam ontleende Goethe het motief voor zijn Faust, al verkoopt Job zijn ziel níet aan de duivel. In deze mythische geschiedenis wordt de rechtvaardige Job op de proef gesteld door de Rechtvaardige (God), een confrontatie die Job zijn hele hebben en houden kost - vrouw, kinderen, vee, alles weg. Zijn vrienden staan hem met theologische raad terzijde, maar hij staat tenslotte alleen tegenover God: 'Ik ben onschuldig'.
De schuld van de mens - Eva's appel - is als antwoord niet toereikend. Wat heeft Eva immers te maken met de sluipwesp die eieren in een rups legt en wier larven zich daarna uit de stuiptrekkende rups vreten? Het heeft met moraal niks te maken, wel met lijden.
Revis citeert Job in de persoon van Rabbi Yossel ben Yossel die een afscheidswoord sprak, een uur voor de liquidatie van het getto van Warschau in 1943. ,,Ik heb God gevolgd, zelfs wanneer Hij mij verstootte. Ik heb Zijn geboden nagevolgd, zelfs wanneer Hij mij ervoor sloeg. Ik heb Hem liefgehad en ik beminde Hem, zelfs wanneer Hij mij nederwierp ter aarde, mij folterde tot de dood, mij maakte tot voorwerp van schande en bespotting. En dit zijn mijn laatste woorden tot U, mijn toornige God; het zal U allemaal niet baten. U hebt alles gedaan om mijn geloof in U te beschamen, maar ik sterf precies zoals ik heb geleefd, roepend: Sjema Jisrael, hoor o Israel, de Heer is onze God. De God is één. In Uw handen, o God, beveel ik mijn geest.''
Job krijgt geen antwoord op de vraag hoe een almachtige en goede God valt te rijmen met het kwaad. Maar zwijgen doet hij niet; hij lijdt niet als straf op de zonde en roept God ter verantwoording. In de epiloog van het boek Job gaat God door de knieën. Jobs klacht leidt tot een soort rechtszaak, waarin God zowel rechter als verdachte is. De eerste veroordeelt de laatste tot 'Wiedergutmachung': Job krijgt al wat hij verloor dubbel en dwars terug.
In zijn Antwoord op Job gaat Jung in op deze kwestie. Zijn autobiografie onthult welke vraag hem daarbij voor ogen heeft gestaan: 'Wie heeft schuld aan de zonde?' om te antwoorden 'In uiterste instantie God, Die de wereld en haar zonde geschapen heeft.'
Het beeld dat Jung van God heeft, omvat het goede en het kwade. De mens is naar dat beeld geschapen: goed en kwaad. Volgens psychiater Jung schuilt een groot gevaar in de eenzijdige identificatie van de mens met het goede. Van dat besef was Jung doordrongen geraakt door de ervaringen die in een paar ruwe penseelstreken zijn te schetsen: holocaust, atoombom. Het tekort aan 'goed' is als verklaring daarvoor ontoereikend, want neemt het kwaad niet serieus genoeg. Het kwaad is als een boobytrap. Revis haalt een proza-gedicht van A.J. Gerritsen aan:
Weet u wat een boobytrap is?
Het is niet wat het lijkt: een balpen, aansteker of een ander onschuldig uitziend voorwerp.
Het is een valstrikbom bedoeld om personele verliezen bij de tegenstander te verkrijgen.
Achmed, Mohammed, Kahlil of hoe de kleine jongen ook moge heten heeft er een blij en nieuwsgierig opgeraapt.
Nu heeft hij aan een kant een vuistgroot gat in zijn gezicht.
De binnenkant van zijn mond is hierdoor zichtbaar zoals op een anatomische afbeelding. . . .
Ben, Samuel, Jacob, Iwan, Andrej,
Pjotr kan niet meer spreken.
Maar Job heeft voor hem gesproken, gehuild, geschreeuwd en gevloekt.
Job heeft de Almachtige aangeklaagd en ter verantwoording geroepen en Job zal dat blijven doen.
Psychiater Jung benadrukt het therapeutisch belang van het peilen van het kwaad. Wil iemand namelijk psychisch gezond zijn, dan moet hij zich bewust worden van zijn schaduw, zijn nachtzijde. Wie zich daarvan niet bewust is en het kwaad als een reële kracht miskent, kan nauwelijks moreel juist handelen, het goede doen of tenminste uit de vele kwaden het minste kiezen. Dan is de mens verraderlijk als een boobytrap, en hij weet het niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.