Als priester Arsenije Nikitovic het vluchtelingenkamp oprijdt, rennen meteen tientallen kleine kinderen naar buiten. De geestelijke heeft zijn auto volgeladen met presentjes: ieder kind krijgt een zak met koekjes, snoepjes en chocolaatjes, ter gelegenheid van kerstavond, dat in het orthodoxe Servië op 6 januari wordt gevierd.
Aan de rand van de nieuwbouwwijk Mirjevo houdt Belgrado op. Tweehonderd uit Kosovo gevluchte Serviërs wonen hier in noodhuisjes die zijn gebruikt door de arbeiders die Mirjevo hebben gebouwd. ,,Sterke winden uit het Oosten en het Westen hebben hen hierheen geblazen'', zo ziet priester Nikitovic het. ,,Zo is onze geschiedenis. Onze mensen zijn gewend Kerstmis te vieren onder moeilijke omstandigheden.''
De priester moet vandaag nog drie vluchtelingenkampen rond Belgrado bezoeken. Hij zal in totaal 2500 surprise-pakketjes aan kinderen uit Kosovo uitdelen. ,,Hun Kerstavond mag dan geïmproviseerd zijn'', zegt hij, ,,toch zal het warm zijn, en van diep uit de ziel komen''.
Milan Pumpalovic, een 50-jarige leraar Servisch uit Istok, herinnert zich goed hoe hij vorig jaar en alle jaren daarvoor Kerstavond vierde. Hij had een groot huis aan een rivier, met een meer in de buurt en een eigen visplaats. Hij had honderden walnoten- en pruimenbomen, en zeventig varkens op stal. ,,Kerstavond hadden we altijd een grote tafel vol eten, verse vis, koekjes en gebak'', vertelt hij. ,,Vrienden kwamen dan langs. Arme mensen en zigeuners die aan de deur kwamen gaven we een borrel en een cadeautje.''
Nu woont hij al bijna een half jaar met acht anderen in twee kleine kamers en een keuken. Zijn huis in Istok is platgebrand. Zijn pruimenbomen zijn omgehakt en verkocht als timmerhout in Albanië, denkt hij.
De Servische vluchtelingen uit Kosovo -200.000 mensen- voelen zich de vergeten slachtoffers van de oorlog. De regering ziet hen niet als vluchtelingen, maar als 'ontheemden', die terug kunnen als ze willen. Met als gevolg dat de toch al magere sociale voorzieningen in Servië voor hen niet gelden. Wie ziek wordt, moet zich maar laten behandelen in een ziekenhuis in Kosovo; opname buiten Kosovo kan niemand zich veroorloven. De vluchtelingen hebben geen werk en dus ook geen geld.
De hulp uit het buitenland is een druppel op de gloeiende plaat. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, het Internationale Rode Kruis en particuliere organisaties als Oxfam doen iets, maar het zet weinig zoden aan de dijk.
De vluchtelingen in Mirjevo zijn afgesneden van de wereld. Een telefoon is er niet in het kamp. Wel heeft het gemeentebestuur van Belgrado, dat in handen van de oppositie is, gezorgd voor stromend water en elektriciteit. Omdat de huisjes niet op intensieve bewoning zijn berekend, slaan regelmatig de stoppen door. De elektrische kacheltjes branden volop, want de muren zijn dun en de plafonds lijken van bordpapier.
Milan hoopt dat hij over een paar maanden naar Kosovo terug kan. Zijn twee zoons geloven daar niet in. Hij klampt zich er aan vast: ,,Het is beter daar gedood te worden dan hier zo te moeten leven''.
Milans broer is vermoord. Albanezen bonden hem aan tractor vast, zegt hij, en sleepten hem onder de ogen van Italiaanse Kfor-troepen door Istok. ,,Hij had zestien katholieke Albanezen in huis genomen, die bang waren voor het UCK. Dat was zijn misdaad.''
Zijn vrouw Lefterija zet een schaal met augurken op tafel. Ze laat een cake zien die zo meteen in de oven moet. In de keuken staan een paar flessen zelfgestookte sterke drank. Meer bijzonders heeft de familie niet om deze Kerstavond luister bij te zetten. ,,Niemand heeft ons verteld dat er vanavond iets speciaals zal zijn'', zegt Milan. Zoals alle gelovige Serviërs zal hij straks buiten voor zijn huis een tak van een eik in brand steken. Zodat de stal wordt opgewarmd voor de geboorte van Christus.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.