*

 
dossier

Archief

Jellema: Denken is dat leven?

Peter Henk Steenhuis − 07/08/00, 00:00

Wie zichzelf herleest, leest een grafschrift. Daarom spreken schrijvers meestal over recent of nieuw werk. Maar wat gebeurt er als schrijvers hun oude teksten onder de loep nemen? Een serie gesprekken met dichters die een oeuvre hebben opgebouwd waarnaar ze kunnen omzien in trots, verwondering en zelfkritiek.

Gaandeweg het gesprek werd duidelijk dat C.O. Jellema(1936) minder kritiek heeft op zijn oude dichtwerk dan op zijn oude levensstijl: ,,Toen ik vanmorgen over de Amsterdamse grachten slenterde, zag ik de zon weerkaatsen op de gevels. Ik heb in Amsterdam gestudeerd, ik heb er eindeloos rond gefietst, maar nooit heb ik goed gekeken naar de zon op de gevels. Goed gekeken.''

Dit is een opmerkelijke uitspraak voor een dichter, wiens werk altijd een sterk metafysische inslag heeft gehad. Er zijn niet veel schrijvers die zich zo verdiept hebben in de middeleeuwse mystiek als Jellema. Zijn laatste bundel 'Droomtijd', die dit jaar genomineerd werd voor de VSB-Poëzieprijs, opent zelfs met een motto van de Duitse mysticus Meister Eckhart. En dan nu ineens kritiek op een beschouwelijke levenswijze?

,,Die kritiek is niet nieuw. Ik heb het gedicht 'Insomnia' uitgekozen(1971) omdat het juist dit probleem aanstipt. Zoals veel van mijn poëzie gaat het in 'Insomnia' om de moeilijkheid contact te onderhouden met de werkelijkheid: 'Denken: hoe maak je zwart op zwart/ aan anderen nou duidelijk...', en even verderop wordt deze problematiek nog scherper verwoord met de vraag: 'Denken is dat leven?'''

,,Die vraag richt zich op de splitsing tussen het denkende 'ik' en het lichaam, op het idee dat hier sprake is van een tweeheid. Daarom volgt op 'Denken is dat leven?' ook de regel: 'Ik heb een lichaam te vergeven'.'' Voor mij is het gegeven van de scheiding tussen lichaam en geest een beklemmend idee, dat mij in een toestand van slapeloosheid bespringt. Vandaar de titel: 'Insomnia.'''

Aan het einde van het gedicht, als het licht wordt, de dag nadert, gaan de angsten liggen, zoals de ruige windhond, die na de hele nacht om 'huis en hof' te zijn gesprongen, rustig gaat slapen.

,,Er staat niet dat hij 'rustig' gaat slapen, de hond is 'onvindbaar' geworden. Die situatie is niet geruststellend, elk moment kunnen de angsten weer aangewakkerd worden. In het evangelie wordt ergens gezegd dat de geest, net als de wind, waait waarheen hij wil. De ruige windhond verbeeldt de dwangmatige geest, die aan de ketting ligt maar je bespringt met gedachtes. Vooral 's nachts lukt het niet die gedachtes in toom te houden; relativering is de nacht niet eigen.''

Daarom komen de honderd kraaiende hanen in de ochtend als geroepen.

,,Ik herlees mijn vroegere poëzie nauwelijks. Maar toen ik dit gedicht weer onder ogen kreeg, was ik vooral verrast door die laatste regel. Zoiets zou ik nu niet gemakkelijk meer schrijven.''

Waarom niet?

,,Het is een opvallende zin, je zou kunnen zeggen dat hij uit een totaal ander register getapt is. Als je naar het gedicht 'Fata morgana' kijkt, zie je dat de beeldenreeks waaruit het gedicht is opgebouwd consistent, logisch is. Het is een gedicht dat van een zekere ambachtelijkheid getuigt. Dat vind ik een belangrijk woord, poëzie moet ambachtelijk zo goed zijn dat het iets oproept.''

Wat is er technisch gezien aan 'Fata morgana' zo goed dat het iets oproept?

,,'Technisch' vind ik geen bruikbare term, ik heb het over ambachtelijkheid. 'Fata morgana' bestaat uit één lange elliptische zin, waarvan het mooie mijns inziens zit in de herhaling van 'kwam' in de achtste regel, die vervolgens uitloopt in het woord 'kom' dat precies in het midden van het gedicht staat. Dus de spanningsboog loopt van 'Kwam', dat aan het begin staat, via 'kwam' middenin regel acht, tot 'kom', dat dan ook aan het einde van de regel moet staan.''

In vergelijking met deze vaste vorm komen de hanen uit 'Insomnia' volstrekt onverwacht.

,,Ja. Al heb ik er geen kritiek op. Ik vind het een passend beeld, het is ambigu: een kraaiende haan kondigt de bevrijdende ochtend aan, maar een haan staat in de christelijke cultuur ook altijd symbool voor het verraad.''

Wie of wat wordt er verraden?

,,Het leven - in zekere zin. Wanneer schrijf je over slapeloosheid? Als de gedachtes die je in die uren overvallen ook overdag belagend zijn. 'Insomnia' gaat over het besef dat de ideëenwereld waarin de 'ik' van het gedicht leeft, isoleert. 'Hoe maak je zwart op zwart aan anderen nou duidelijk?' Zo'n vraag verwoordt een gevoel van vervreemding. Hoe maak ik aan anderen nu duidelijk wie ik ben?''

Hoe maakt u dat duidelijk?

,,Niet door te vluchten in een ideëenwereld.''

Dat heeft u lang gedaan?

,,Er schiet me een beeld uit mijn studententijd te binnen. Voor een bijzondere gelegenheid hebben we eens menukaarten gemaakt, waarop dispuutsgenoten elkaar afbeeldden. Ik trad eruit te voorschijn als een slenterend personage, paraplu in de hand, hoofd in de wolken. Ik had me teruggetrokken in een wereld van gedachtes.''

En dan constateert u nu opeens, met schrik, dat u te weinig gekeken heeft naar de zon op de gevels.

,,Ja.''

Zit daar iets van spijt in?

,,Zeer veel.''

Dus u moet nu hard gaan kijken.

,,Zeer hard.''

U heeft jarenlang in de hogere sferen van het denken verkeerd. U heeft middeleeuwse mystiek gedoceerd aan de universiteit van Groningen, u heeft zich grondig verdiept in de mysticus Meister Eckhart, vertaalde zelfs zijn traktaten. Is het ondanks of dankzij de mystiek dat u zich nu aangesproken voelt door de alledaagse werkelijkheid?

,,Dankzij. Wat mij in de mystiek altijd heeft aangetrokken, is de gedachte dat uiteindelijk alles uit een eenheid is voortgekomen, en ook daartoe weer zal terugkeren. Die eenheid ervaar ik nu soms. Ik voel mij meer verbonden met de wereld om me heen. Dat is nieuw.''

Toch komt in 'Fata morgana' twee keer de tussenzin '- ik was afwezig -' voor. Het gedicht lijkt een depersonalisatie te beschrijven: de 'ik' is uit zichzelf getreden, en laat een ander met zijn ogen kijken naar de tuin.

,,Zoals ik geworsteld heb met de splitsing tussen geest en lichaam, zo is het idee van een depersonalisatie, van een verlies van identiteit, ook een grondthema. Ik heb eens iemand horen zeggen dat hij altijd verliefd was, 'want ik kan alleen maar leven via anderen'. Dat trof me zeer.''

Die ervaring lijkt tegengesteld aan de man die met zijn hoofd in de wolken leeft.

,,Maar die man stelt zich wel de vraag: 'Denken, is dat leven?' Leven met het hoofd in de wolken is mijn zelfbescherming geweest om niet overgeleverd te zijn aan anderen. En zoals 'Insomnia' de wens uitspreekt de gespletenheid van lichaam en geest op te heffen, wordt in 'Fata morgana' de wens uitgesproken samen te vallen met die ander.''

Vandaar de zin: 'een leven lang dat ene grondwoord 'kom''. ,,Ja, hier wordt een verlangen uitgesproken, dat veroorzaakt wordt door onvrede met de eigen existentie. Het gedicht verwoordt de wens samen te vallen met de ander, en zo verlost te worden van jezelf.''

Wat gebeurt er na dat precies geplaatste woord 'kom'?

,,Imaginair vindt daar de vervulling plaats, de twee figuren vallen samen. De ander, die 'schouwend' voor mij waarneemt, spreekt van 'een spel en lach waar schroom het van verliest'. Het schouwende 'ik' wordt verlost in het tastbare, in de wereld van de dingen.''

Verlost worden 'in' de zichtbare wereld?

,,Je kunt verlost worden 'uit' iets, of 'van' iets. Maar je kunt ook verlost worden 'in' iets. Als je speelt en lacht, vormen lichaam en geest een eenheid, is de grond waarop je het spel speelt tastbaar, zichtbaar, voelbaar. Niet meer in het denken weerspiegeld.''

U zegt dat u nu gevels ziet die u vroeger niet zag, dat u zich meer verbonden voelt met mensen van wie u zich vroeger terugtrok. U zou zich verlost willen voelen 'in' de wereld van de dingen. Kunnen we zeggen dat u zich soms verlost voelt 'van een gescheidenheid die nimmer went?'

,,Altijd hoop ik dat.''

mailIcon print |