*

 
dossier

Archief

Moderne landbouw doet de grutto de das om

HENK VAN HALM − 15/07/00, 00:00

De grutto, een van de meest markante Nederlandse weidevogels, staat er beroerd voor: van de 87.000 broedparen, die in 1990 werden geteld, zijn nu nog maar 58.000 over. Dat is onrustbarend, want meer dan negentig procent van de West-Europese gruttopopulatie broedt in ons land. Nederland heeft dus een internationale verantwoordelijkheid voor het behoud van de grutto.

Grutto's zijn voor hun voortplanting afhankelijk van grasland. Daarin nestelen ze en brengen ze hun jongen groot. Vrijwilligers en boeren doen al jaren aan actieve nestbescherming door nesten te markeren, zodat die bij het maaien gespaard blijven. Er zijn reservaten ingesteld, waarin het beheer speciaal gericht is op de eisen die weidevogels aan hun biotoop stellen. Veel boeren hebben met de rijksoverheid een beheersovereenkomst gesloten om bepaalde delen van hun land later te maaien of in het voorjaar langer nat te houden.

Niet toereikend

Al die beschermingsmaatregelen blijken niet toereikend te zijn om de grutto als broedvogel te behouden. Grutto's geven de voorkeur aan een mozaïek van beweide, gemaaide, nog niet gemaaide, vochtige en drassige graslanden.

Om de opgroeiende kuikens genoeg dekking en voedsel in de vorm van insecten te verschaffen dienen de graslanden pas na 15 juni gemaaid te worden. Dat past niet in de moderne agrarische bedrijfsvoering. In de tegenwoordige grootschalige landbouw is de variatie in grondgebruik verdwenen. Er is te lang van uitgegaan dat de grutto zich wel zou aanpassen aan het moderne boerengrasland, dat klaarblijkelijk te eentonig is, te veel van hetzelfde.

Aangepast

De grutto is niet altijd weidevogel geweest. Voordat er veeweiden ontstonden, broedde hij in open zeggemoeras en hoogvenen. Hij heeft zich aangepast aan het boerenbedrijf, dat een grote variatie in grondgebruik kende.

Grutto's komen van oudsher het meest voor in de veenweidegebieden van Noord-Holland en Friesland, waar wel vijftig tot honderd paren per honderd hectaren kunnen broeden. Dergelijke broeddichtheden worden nauwelijks meer gehaald. Alleen in een paar reservaten, die door natuurbeschermingsorganisaties worden beheerd, is de stand op peil gebleven.

In de Friese weidegebieden is de gruttostand minder afgenomen dan in Noord-Holland. Wellicht is de overgang naar moderne landbouwmethoden daar minder drastisch geweest. Ruilverkaveling, intensivering van het graslandbeheer, inkrimping van het graslandareaal en drastische verlaging van het polderpeil hebben de gruttostand in Noord-Holland al in de jaren tachtig een duchtige knauw gegeven.

Weiden te droog

Door ontwatering te droog geworden weilanden verliezen hun aantrekkelijkheid voor grutto's, omdat hun voedsel (regenwormen en insectenlarven) te diep in de grond leeft. Omdat de weilanden eerder droog worden dan vroeger, kan er eerder worden gemaaid. Soms al in april en dan gaan veel eerste legsels verloren. De broedtijd begint in april en kan doorgaan tot in juli. Dat laatste is gewoonlijk het geval als het eerste legsel is mislukt. Van een geslaagd vervolglegsel worden de kuikens vaak uitgemaaid, omdat het mechanische maaien zo snel verloopt dat de jongen geen kans krijgen tijdig uit te wijken naar percelen met hoog gras. Er worden zelfs wel broedende vogels door de maaimachine verrast. Legsels worden vertrapt, omdat het vee eerder de droge weide in kan en de veebezetting is toegenomen.

Stadsuitbreiding en de aanleg van wegen en recreatieterreinen brengen in West-Nederland verlies aan weidegrond met zich mee wat het broedgebied van de weidevogels aantast. Maar het is niet alleen dit grondverlies dat het broedgebied van de grutto verkleint. Het onderzoekinstituut Alterra plaatste vorig jaar twintig lichtmasten in het Noord-Hollandse natuurgebed Limmerdie om erachter te komen of weidevogels zich erdoor laten beïnvloeden. Vooral grutto's bleken zich eraan te storen: ze nestelen niet binnen 300 tot 500 meter van de lichtmasten. Dat betekent een flink verlies aan broedruimte. Alterra adviseerde Rijkswaterstaat terughoudend om te gaan met wegverlichting in of langs natuurgebieden.

Weidevogelvriendelijk beheer

Het is duidelijk dat als we de grutto als broedvogel willen behouden, er veel zal moeten veranderen. Er zal meer geld beschikbaar moeten komen voor een effectiever inzet van de bestaande regelingen en om de groeiende mogelijkheden van agrarisch natuurbeheer te benutten. Subsidie mag niet de beperkende factor zijn bij weidevogelvriendelijk beheer, vinden de natuurbeschermingsorganisaties, waaronder Vogelbescherming Nederland, Landschapsbeheer Nederland, de Bond van Friese Vogelbeschermings Wachten, LTO Nederland en de Nederlandse Steltloper Werkgroep.

Onderzoek is nodig naar mogelijk andere belangrijke oorzaken die aan de achteruitgang ten grondslag liggen. Zo is onduidelijk hoe het onze grutto vergaat in zijn overwinteringsgebied in de rijstvelden van Senegal en Sierra Leone.

Te weinig jongen

Het is ongetwijfeld een combinatie van factoren die de achteruitgang van de grutto heeft bewerkstelligd. Een soort blijft op peil als een ouderpaar in de loop van zijn leven twee jongen voortbrengt, die zich op hun beurt voortplanten. Het ziet er nu naar uit dat er te weinig jongen overleven om de populatie op peil te houden.

Eerst verdween de watersnip uit de weilanden, daarna de kemphaan. De tureluur staat er zeer slecht voor in de veenweide gebieden. Nu wordt de grutto getroffen door de rationalisatie in de landbouw. Voor behoud is in de eerste plaats een hoog waterpeil nodig, wat eigenlijk alleen in reservaten kan. Meer beheersovereenkomsten tussen boeren en de rijksoverheid kunnen ook helpen, maar het effect is beperkt. Boeren verplichten zich dan niet te vroeg te maaien en nesten te markeren, maar de voornaamste oorzaak, de verlaging van de waterstand, wordt niet aangepakt.

mailIcon print |