*

 
dossier

Archief

Leuke mensen moeten praten over God

Lisette Thooft − 25/01/00, 00:00

Willem Jan Otten schreef een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie en Carl Friedman kapittelde hem in Trouw (15 januari): Otten is te bezorgd om zijn reputatie bij de intellectuele elite, vindt ze. Praten over je geloof? Dat doen fatsoenlijke mensen niet.

Het is een lekker stuk, dat van Friedman, waarbij je je kunt verkneukelen om haar analyse van de vader-zoon verhouding tussen intellectueel Kousbroek en nieuwbakken gevoelsmens Otten. Maar het is natuurlijk paradoxaal wat Friedman schrijft: haar eigen geloof is zo eenvoudig -maar sterk en vrij- dat ze het niet publiekelijk hoeft te belijden. Waarom doet ze dat dan?

En trouwens, waarom zouden wij niet mogen praten over God? Zou dat taboe vroeger echt een kwestie van bezorgdheid zijn geweest om Gods status? Of vermeed men gewoon liever fundamentele discussies in het openbaar die waarschijnlijk met veel emotie en onenigheid gepaard zouden gaan? Kom op: juist leuke, intelligente, sexy mensen zoals Otten moeten praten over hun geloof in God en hun ervaringen in de kerk. Zoals jaren geleden Opzij eens vrouwen in zijden blouses en op hoge hakken opriep tot het publiekelijk erkennen dat zij feministen zijn. Je bent geen feminist uit arren moede, omdat je te lelijk of te seksloos bent om een traditionele vrouwelijke rol te kunnen spelen.

En Otten is niet katholiek geworden omdat hij een bange kwezel is, of een geborneerde domoor. Hoera! Laat hem zijn geloof en godsvertrouwen, maar ook zijn twijfels en zijn bezorgdheid alsjeblieft luidkeels van de daken schreeuwen. Daar hebben we wat aan in deze dorre, materialistische tijden. Laten fatsoenlijke mensen liever onderling afspreken dat het taboe is in het openbaar over geld te praten, zoals vroeger het geval was in nette families. Praten over geld is pas echt banaal. En laten we vooral met ons allen zoveel mogelijk praten over God en wat we voelen in de kerk.

Nieuwe katholieken -ik ben er zelf ook een- hebben speciaal het recht hun mond open te doen, vind ik. Ook ik ben bestookt door vrienden en kennissen met kritische vragen, aanvallen en beschuldigingen, en ik vond het prima want ik dacht: elk van die stemmen reflecteert blijkbaar een twijfel die ik zelf nog in mij heb. Het dwong me tot dieper bewustzijn van mijn motieven. Wat trekt mij naar de mis, waarom ben ik zo geraakt door dat archaïsche ritueel van brood en wijn? Onder andere omdat ik er zowel een eeuwig, simpel, alledaags gebaar in zie als het meest verheven offer. Het profane wordt heilig en het heilige manifesteert zich in het tastbare.

Ik ben bijvoorbeeld altijd weer gebiologeerd door de manier waarop priesters na de communie die bekers en kommen op het altaar omspoelen en afwissen. Het lijkt namelijk zoveel op wat ik zelf elke dag doe in de keuken en dat verheft mijn dagelijkse bezigheid tot heiligheid. Voeden is een heilige bezigheid, dat voel ik in de kerk. Andersom word ik er elke keer weer aan herinnerd dat de druif geperst moest worden om wijn te maken, het graan gemalen en gebakken om te kunnen voeden -en Christus aan het kruis kapotgeslagen om onze harten te verheffen tot God. Net zoals wij uiteindelijk, als we genoeg gerijpt zijn, geperst moeten worden, vermalen en kapotgeslagen om iets anders, iets groters dan onszelf te voeden. Daaraan word ik herinnerd in de kerk.

Waarom zou ik dat niet in het openbaar belijden? Iemand anders kan er weer iets anders over zeggen. Dan hebben we het nog eens ergens over in de krant.

mailIcon print |