*

 
dossier

Archief

Olie voedt de oorlog in Afrika

Gertie Schouten − 31/01/00, 00:00

Veel Afrikaanse landen hadden rijk kunnen worden van de olie, maar misschien waren ze zonder beter af geweest; er lijkt vooral ellende van te komen. Armoede heerst in de olierijke Niger-delta in Nigeria. In Soedan en Angola zijn burgeroorlogen aan de gang, waar de olie een belangrijke rol speelt. De inkomsten van de olie worden vooral besteed aan wapens. En de westerse oliebedrijven denken na hoe ze verantwoord kunnen ondernemen in Afrika. Of trekken zich niets van de kritiek aan.

Op 30 augustus 1999 stroomt de eerste olie uit de nieuwe, 1610 kilometer lange pijpleiding van de Heglig-olievelden naar Port Sudan in de Rode Zee. Het is een feestelijke gebeurtenis voor het regerende Nationaal Islamitisch Front (NIF) van president Omer el Beshir. De pijpleiding betekent voor Soedan de weg naar economische groei en ontwikkeling, wordt al jaren gejubeld.

Maar het feest duurt nog geen drie weken. Actievoerders van de oppositie blazen een gat in de leiding. In hun ogen profiteert slechts een deel van de bevolking van het project. De plaats van de sabotage-actie is veelzeggend. Niet in het zuiden, waar zeventien jaar een burgeroorlog woedt, maar in het noorden ontploft de leiding. De overkoepelende Nationale Democratische Alliantie NDA, van noordelijke en zuidelijke oppositiegroepen, neemt de verantwoordelijkheid en zegt de olieleiding te beschouwen als een wapen in de oorlog tegen het regime. Na september barst de pijp nog twee keer open door sabotage.

,,Soedanese olievaten zijn besmeurd met bloed'', zegt Peter Verney van de organisatie Sudan Update, die onlangs een rapport over olie in Soedan uitbracht. Hij bedoelt het bijna letterlijk. De afgelopen jaren zijn duizenden Soedanezen uit de oliewingebieden verdreven; gevlucht of gedwongen te verhuizen. Hele dorpen zijn plat gebombardeerd. Het leger wil een absolute grip op het gebied hebben. ,,In vergelijking hiermee is Nigeria een theekransje'', zegt Verney.

De aanpak past in het beeld van de Soedanese burgeroorlog, sinds jaar en dag een van de smerigste conflicten in Afrika. Sinds 1983 zijn naar schatting twee miljoen mensen gedood, meer dan vier miljoen Soedanezen zijn op de vlucht geslagen. Burgers zijn slechts een pion in deze strijd. Ze worden door het leger verjaagd, vermoord of ontvoerd om de rebellen een uitvalsbasis te ontnemen.

De Soedanese olieopbrengsten zouden vooral worden gebruikt om wapens te kopen. Op een onvoorzichtig moment liet een van de kopstukken van het regerende islamitisch front zich dit ontvallen. Tanks en raketten, daar was het geld goed voor. Volgens het blad Africa Confidential zijn inmiddels twintig oude Poolse T-55 tanks gearriveerd uit Jemen. Soedanese militairen zouden ook hebben gewinkeld bij wapenbedrijven in China, dat een belang van dertig procent in het olieproject heeft. Nu de regering nieuw en veel geld heeft voor wapens, lijkt vredesoverleg bij voorbaat kansloos.

Ook in Angola voedt de olierijkdom de oorlog. Al sinds de onafhankelijkheid in 1975 bevechten het regeringsleger van president Eduardo dos Santos en de rebellenbeweging Unita van Jonas Savimbi elkaar. Ook hier wordt de bevolking vermorzeld. Ruim 82 procent leeft in armoede, veertig procent van de kinderen is licht of zwaar ondervoed, 30 procent is afhankelijk van voedselhulp. Tussen de tien en twintig procent is op de vlucht gejaagd.

Betaalt Unita de oorlogsinspanningen vooral met diamantsmokkel - de afgelopen jaren leverde dat bijna vier miljard gulden op -, de regering verdient goud aan de olie. De organisatie Global Witness, die de invloed van natuurlijke hulpbronnen op conflicten bestudeert, bracht er eind vorig jaar een rapport over uit. Per jaar verdient Angola vier tot zes miljard gulden aan de olie, maar liefst 90 procent van de totale overheidsinkomsten. Slechts een zeer kleine elite profiteert van de opbrengst en betaalt daar de oorlog mee.

In mei 1999 verleenden de Angolese autoriteiten concessies voor exploitatie van drie offshore olievelden. In twee van de drie consortiums zijn belangen van vijf tot twintig procent vergeven aan bedrijven die meer banden hebben met de internationale wapenhandel dan met het winnen van olie, zegt Global Witness. Olie voor wapens is kennelijk de deal. De olie als bron van ellende voor de bevolking? Het bekendste voorbeeld is Nigeria. Al jaren vechten minderheidsgroepen in de oliegebieden van de Niger-delta voor een groter deel van de opbrengst, en voor maatregelen tegen de milieuvervuiling. Door de executie van de bekende Ogoni-activist Ken Saro Wiwa in 1995 werd de strijd wereldwijd bekend. Shell, de grootste buitenlandse investeerder, kwam onder grote druk te staan.

De laatste jaren zijn het vooral de Ijaws in de Delta, een veel grotere minderheidsgroep dan de Ogoni's, die van zich laten horen. De productie van verschillende oliemaatschappijen wordt al tijden zwaar gehinderd door bezettingsacties en ontvoeringen van werknemers. De vorig jaar min of meer democratisch gekozen president Olusegun Obasanjo heeft ondanks zijn beloftes niet veel veranderd. De Delta is nog steeds een van de armste regio's van het land en de situatie blijft explosief.

Ook in Nigeria plukt een kleine elite de vruchten van de olie. Achtereenvolgende militaire junta's hebben het land leeggeplunderd. Zwitserland maakte vorige week bekend dat het al anderhalf miljard gulden aan weggesluisde gelden van de laatste dictator Sani Abacha had gevonden en geblokkeerd. Het gemiddelde inkomen van de Nigerianen is de afgelopen decennia alleen maar kleiner geworden.

Bedrijven als Shell en BP Amoco hebben zich bereid getoond - als reactie op de internationale kritiek - een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen, en onder meer bepalingen over mensenrechten in hun gedragscode op te nemen. Shell doet tot nu toe weinig succesvolle pogingen om in Nigeria zijn sociale gezicht te laten zien, en zegt tientallen miljoenen te investeren in ontwikkelingsprojecten. Het krijgt dezer dagen de katholieke organisatie Pax Christi over de vloer die komt uitleggen of Shells besluit de eerste olie uit de Soedanese Heglig-pijplijn te kopen wel strookt met ethisch ondernemen.

In Angola staat BP Amoco aan het hoofd van het enige van de drie nieuwe consortia waarbij geen wapenhandelaars betrokken zijn. Is het een teken dat het bedrijf zijn belofte om 'schoon en open' zaken te doen serieus neemt? Dat zou een hele prestatie zijn in Angola, waar het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank nog altijd geld weigeren uit te geven vanwege de ondoorzichtige handel en wandel van de regering, zegt Global Witness.

Oliemaatschappijen negeren vaak de negatieve gevolgen van de oliewinning, of doen kritiek op de activiteiten af met het argument dat souvereine staten niet zitten te wachten op bemoeienis met binnenlandse zaken. Zo papegaait het Canadese bedrijf Talisman, dat een belang van 35 procent heeft in het Soedanese olieproject, doodleuk het verhaal van de regering dat de olie goed is voor ontwikkeling en vrede.

In Canada was daar al wat langer twijfel over. De regering in Ottawa gaf daarom opdracht tot onderzoek ter plaatse. Het eindrapport verschijnt deze week, en onderzoeker John Harker heeft alvast wat vernietigende conclusies bekendgemaakt: Talisman schiet ernstig tekort en heeft weinig weg van de ethische ondernemer, die het zegt te zijn. Zo laat het toe dat het Soedanese leger volop gebruikmaakt van het burgervliegveld bij de olievelden om dorpen in de omgeving te bombarderen. Met het aanleggen van een weg of het bouwen van een schooltje ben je er niet in Soedan, zegt Harker. Op basis van dat rapport zal Canada mogelijk sancties nemen tegen het bedrijf Talisman. Beurshandelaren voelden de afgelopen maanden al nattigheid, het aandeel is sterk gedaald.

Met de ervaringen in andere Afrikaanse landen in het achterhoofd, wordt intussen in Tsjaad en Kameroen een alternatieve poging gedaan om 'verantwoord ondernemen' in de oliesector van de grond te krijgen. Al jaren worden voorbereidingen getroffen voor de aanleg van een 1 070 kilometer lange pijpleiding vanaf de Doba-olievelden in het zuiden van Tsjaad naar de kust van Kameroen.

In tegenstelling tot Soedan hebben Tsjaad en Kameroen financiële steun van de Wereldbank gevraagd, in totaal 230 miljoen gulden. Met de reglementen van de bank in de hand, die immers staat voor good governance, heeft de internationale milieu- en mensenrechtenlobby een grote invloed weten uit te oefenen. Tsjaad en Kameroen en de internationale investeerders Esso, Shell en Elf hebben zich moeten vastleggen op verantwoorde exploitatie. Zeer opvallend is ook de rol van de Wereldbank zelf, die als supervisor in de gaten moet gaan houden of de olie-opbrengsten inderdaad wel ten goede komen aan onder meer onderwijs en ontwikkeling en compensatie voor eventuele milieuschade.

De uitgebreide afspraken en regelingen vooraf zijn nieuw in de wereld van de olie-exploitatie. Het lijkt een positieve ontwikkeling, maar het bleek tot nu toe moeilijk alle partijen te overtuigen dat dit project wél goed zal uitpakken voor de bevolking. Gezien de omstandigheden in de betrokken landen is dat niet al te verwonderlijk.

Hoe krijg je sluitende plannen over verantwoorde exploitatie in Kameroen, het land dat vorig jaar nummer één stond op de lijst van meest corrupte landen? En kan een straatarm land als Tsjaad wel zorgen voor de uitvoerige controles die internationaal worden geëist? Of heeft het de oliegelden nu juist hard nodig om ooit aan die eisen te kunnen voldoen? Maatschappelijke en milieu-organisaties in Tsjaad en daarbuiten hebben twijfel over de rol van de Wereldbank, en denken dat haar toezichthoudende rol in de praktijk niets zal voorstellen. De Wereldbank heeft vanwege het verzet een besluit over financiering herhaaldelijk uitgesteld. Ook Global Witness denkt dat verantwoord ondernemen alleen lukt als naast de bedrijven ook regeringen en internationale organisaties een taak op zich nemen.

De olie-industrie is zo'n belangrijke inkomstenbron dat investeringen in Angola, Nigeria, Tsjaad of Soedan onvermijdelijk een politieke verantwoordelijkheid met zich meebrengen, zegt de organisatie. De oliesector zou daarom, met IMF en Wereldbank, een open boekhouding moeten eisen in de landen, waarmee zaken worden gedaan, zodat geld niet ongemerkt verdwijnt naar corrupte overheidsfunctionarissen of wapenhandelaren. Ook internationale commerciële banken zouden geen leningen moeten geven. En het beleid van een land als Frankrijk, dat regeringen in Afrika kon maken en breken om zijn oliebelangen via Franse maatschappijen veilig te stellen, is al helemaal desastreus.

Wie zijn verantwoordelijkheid niet neemt, is in feite medeplichtig, zegt Global Witness. En werkt mee aan een situatie waarin westerse hulporganisaties op grote schaal moeten bijspringen om slachtoffers te redden van oorlogen die worden betaald door westerse oliemaatschappijen.

Peter Verney van Sudan Update komt met een vergelijkbare conclusie. Zo'n twee miljoen gulden per dag brengt de nieuwe olie op, precies de huidige defensiebegroting van de regering, en precies de kosten van de internationale voedselhulp.

mailIcon print |