*

 
dossier

Archief

Embryo is waardevol deel van de vrouw

J.G. te Lindert − 02/09/00, 00:00

De vroeg-joodse medische ethiek zag het embryo als 'orgaan van de vrouw'. Deelnemers aan het moderne kloondebat moeten daarvan leren: de waarde van het embryo bleef niet steeds gelijk, maar veranderde al naar gelang de omstandigheden van de vrouw.

Dat ook in Nederland de discussie over kloneren opnieuw zou ontbranden, stond op voorhand vast. Dat vóór- en tegenstanders al hun vindingrijkheid zouden aanwenden om de traditionele posities te betrekken was ook te voorzien. Maar dat men zoveel steken laat vallen is opmerkelijk.

Vóórstanders, in de meeste gevallen wetenschappers, pogen de waarde van het menselijke embryo te relativeren om gebruik van menselijke embryo's voor wetenschappelijk onderzoek te rechtvaardigen (J.C. Molenaar, Podium, 23 augustus). Tegenstanders van deze vorm van onderzoek wijzen op de menselijke waardigheid van het embryo en verdedigen de absolute onschendbaarheid van de mens in wording (mgr. E. de Jong, Podium, 30 augustus, en J.P. Wils, 31 augustus).

De spanning tussen de beoefenaren van de geneeskunst en de christelijke moraalleer kent een lange traditie als het gaat om de omgang met het menselijk embryo. Op een aantal punten kunnen we lering trekken uit die traditie.

In de eerste plaats rijst de vraag hoe geloofwaardig het argument is van E. de Jong dat kloneren niet mag omdat een mens en dus ook een embryo nooit als middel tot een doel kan dienen. De Jong is willekeurig in de toepassing van het principe dat een mens nooit middel tot een doel kan zijn. Het is immers geen geheim dat de roomskatholieke moraalleer dit principe al vele eeuwen met voeten treedt, als het gaat om de belangen en de positie van de vrouw, meer in het bijzonder van de ernstig zieke zwangere, ongewenst kinderloze en de ongewenst zwangere vrouw. Alle goede bedoelingen ten spijt, in een eigentijds moreel debat past geen willekeur in de toepassing van morele principes.

Daartegenover staat de opvatting van wetenschappers en medici die zoeken naar de grenzen van de medische mogelijkheden en daarbij ook de morele realiteit uit het oog dreigen te verliezen. Het gaat elk zinnig mens te ver wanneer het menselijke embryo als grondstof zonder eigen waarde wordt beschouwd, zodat wetenschappers het naar eigen inzicht kunnen gebruiken. De grenzen van de wetenschappelijke vrijheid kunnen zeker op dit front niet onbegrensd zijn.

Wetenschappers en morele gezagsdragers spreken over het menselijk embryo als ware het een collectief bezit, waarover zij beschikkingsrecht hebben. Weinigen realiseren zich dat het ouderpaar en meer in het bijzonder de vrouw de beslissingsbevoegdheid heeft over het embryo. Wie de redenering van de wetenschappers volgt moet tot de conclusie komen dat niet alleen het embryo maar ook de vrouw in feite als productiemiddel wordt aangemerkt.

De term 'rest-embryo's geeft verder voeding aan deze gedachte. Als het embryo al waarde heeft vanwege de relatie die aan elk embryo en dus elk mens voorafgaat, dan is dat zeker het geval bij embryo's die ontstaan na een ivf-behandeling. Deze embryo's bestempelen als waarde-indifferent is dan ook geen passende morele route.

Ik zou dan ook willen kiezen voor een meer pragmatische insteek, die al in de vroeg-joodse medisch-ethische traditie zijn oorsprong vindt. In deze vroeg-joodse visie wordt de morele status gevormd door een intrinsiek deel en relationeel deel. Het embryo heeft naast een waarde in zichzelf een relationele waarde. De relationele waarde kan veranderen, ze kan groeien naarmate de zwangerschap vordert. De vrucht wordt dan ook wel aangeduid als 'een orgaan van de vrouw'. Natuurlijk niet in de letterlijke betekenis. Maar in een overdrachtelijke zin heeft de vrucht een waarde als van een orgaan voor de vrouw.

Maar volgens dezelfde joodse traditie kon de waarde ook afnemen, als bleek dat de zwangerschap een gevaar vormde voor de vrouw. In deze situatie werd een abortus moreel aanvaardbaar geacht. Dan werd de band tussen haar en 'haar orgaan' doorgesneden. Daarmee is aangegeven dat de waarde van het embryo niet steeds gelijk is, maar afhankelijk van de omstandigheden.

Deze joodse visie heeft bijgedragen aan de legalisering van abortus in de Westerse wereld in de tweede helft van de vorige eeuw. Ze zou wellicht ook van dienst kunnen zijn bij de discussie over kloneren. In de eerste plaats om het embryo op waarde te schatten. In de tweede plaats om het gebruik van embryo's die overblijven na een ivf-behandeling te verantwoorden tegenover de samenleving en met name de ouderparen die de embryo's beschikbaar stellen. In de derde plaats om een deugdelijke morele route te ontwikkelen die er toe bijdraagt dat vrouwen niet (opnieuw) worden gebruikt als een middel tot een doel.

mailIcon print |