In diepe rust. Haar donkere ogen gesloten, de wallen eronder gladgestreken door de slaap. Zelfs het vuile verwarde haar lijkt zich te ontspannen. Maar haar vingers trillen alsof ze ook nu nog bang is, voor duivels en demonen, voor heksen en mensen, voor alles en iedereen. Zouden ze haar dromen net zo bevolken als haar dagen, de spoken van haar geest?
Kim is jonger dan ze eruitziet. Het komt doordat ze van die rafelige lappen om zich heen wikkelt in plaats van een trui, doordat ze haar haar bijeenbindt met een stuk touw, al net zo smoezelig als het haar zelf, dat ze op een oude zwerfster lijkt. Haar haar is van zichzelf lichtblond, maar heeft nu de kleur van karton. Op haar wijsvingers zitten grote geelbruine plekken, van het roken. Maar dat landloperige uiterlijk kan haar niets schelen. Ze heeft geen ander belang dan onzichtbaar te zijn. Ze wil de spoken, de dansende duiveltjes die haar dag en nacht achtervolgen, te slim af zijn. Ze zullen haar niet vinden, niemand kan haar zien. Want Kim heeft dezelfde kleur als de muur. Ze verdwijnt in de kleurige achtergrond van het grote geheel. Er is niemand die precies kan zeggen waar ze is. Behalve nu, nu ze slaapt, en eindelijk tot stilstand is gekomen.
Als ze wakker is, haast ze zich heen en weer door de gangen, niet om ergens naar toe te gaan, maar opdat ze nooit langer dan twee tellen op dezelfde plaats is. Al ijsberend rookt ze het ene na het andere pakje shag. Een rookgordijn? Of is het een manier om haar strakgespannen lichaam tot rust te brengen? Ze loopt langs een deur die plotseling opengaat, en ze slaat een hand voor haar gezicht, die hand zonder peuk erin, ze duikt in elkaar en verandert in een standbeeld. De levende Kim die zo-even nog rondrende, is verdwenen.
Wat ze haar precies influisteren, die zwarte mannetjes die ze overal ziet en waar ze permanent voor op de vlucht is, weet ik niet. Maar veel goeds kan het niet zijn. Soms is ze zo bang dat ze uitzinnig begint te gillen, of te gooien met alles wat onder haar handen komt, asbakken, serviesgoed, de kamerplanten. Dan komen er al gauw mensen zich tegenaan bemoeien. Ze leggen een hand op Kims schouder, waar ze alleen maar banger van wordt, want hoe kan ze weten dat dit een goedbedoelend mens is en geen monster? En als ze daar niet op reageert nemen ze haar uiteindelijk mee naar de separeercel. Ik vraag me af of dat wel goed is. Ook daar zijn ze, achtervolgen ze haar en roosteren ze haar levend, als ze haar eenmaal te pakken hebben gekregen. Kim komt altijd huilend uit de separeercel, ze heeft altijd verloren, en het enige goede dat erover te zeggen valt is dat ze niet meer smijt met het meubilair.
Gelukkig slaapt ze nu, ze ziet er ongebruikelijk vredig uit. Ik zou haar wel willen troosten, maar dat kan ik helemaal niet. Ik kan alleen een pakje shag voor haar kopen als ze de straat niet op durft, waar iemand haar zou kunnen herkennen.
En ik kan nu de deur van onze slaapkamer heel zachtjes dichtdoen, om haar droom te behoeden. Ze zouden haar eens kunnen zien liggen, haar belagers, nu ze even een bres laat vallen in de verdediging. Ik zie ze niet, maar ik weet toch dat ze er zijn. Ik weet het, omdat Kim het weet, en die weet het verschrikkelijk zeker. Ik zou niet willen dat het mijn schuld was als ze straks gepakt werd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.