*

 
dossier

Archief

Belastingplan 21ste eeuw is nu al ouderwets

Hieke Snijders-Borst − 18/01/00, 00:00

In haar boek 'Dagen van honger en ellende' - waarnaar het eerste deel van de film Keetje Tippel is gemaakt - beschrijft Neel Doff dat haar doodarme ouders in de jaren 1860 in Amsterdam er een kindermeisje op nahielden. Hoe kon dat? De moeder was kantklosster en aangezien de vraag naar kant groot was in die tijd, verdiende zij geld met klosssen en werden de kinderen en het huishouden overgelaten aan het dienstmeisje.

Kantkloswerk leverde meer op dan huishoudelijk en verzorgingswerk. Dus deed de moeder het best verdienende werk en stootte het minst renderende werk af naar een ander. Geheel volgens de wetten van de economie. Waarom ging dat 135 jaar geleden wel op en nu niet meer - en in de 21ste eeuw ook niet, als het belastingplan van Zalm en Vermeend door de Kamer komt? Omdat op de onbetaalde arbeid thuis geen belasting- en premiedruk rust, en op de betaalde arbeid een gigantisch zware druk. De moeder die thuis blijft om voor man en kinderen te zorgen, hoeft geen belasting en premie te betalen over de waarde van haar onbetaalde arbeid thuis. Haar man evenmin. Daarnaast bestaan er nog tal van voordelen voor de huishoudpartner: gratis recht op de AOW en vaak ook op aanvullend nabestaandenpensioen; gratis meeverzekerd zijn in het ziekenfonds of de ziektekostenverzekering, enzovoorts.

Als de waarde van al deze vrijstellingen voor alle huishoudpartners in Nederland wordt berekend, blijkt deze tussen 150 en 200 miljard gulden per jaar te kosten. Huisvrouwen lijken goedkoop, maar ze zijn duurder dan men denkt. Belastinguitgaven belemmeren het zicht op wat er werkelijk in de maatschappij gebeurt. Belastinguitgaven zoals de gunstige belastingvrije som of tarieflijn voor de alleenverdiener/gehuwde man trekken vaak nog wel de aandacht. Maar allerlei aftrekposten van de partner al veel minder. En het geheel vrijstellen van de onbetaalde arbeid helemaal niet. Toch is deze laatste belastinguitgave verreweg de belangrijkste. Maar onopgemerkt als die blijft, pleegt die buiten alle beschouwingen te blijven. Ten onrechte.

Niet alleen de huishoudpartner profiteert van deze regelingen, maar ook de kostwinner en de kinderen. Dat is voor de meeste Nederlanders geen probleem: het wordt algemeen als belangrijk gezien dat een ouder/de moeder - deels - thuisblijft voor de kinderen. Het profijt van de man/kostwinner bij de door de goegemeente betaalde en van sociale zekerheid voorziene huisvrouw is evenwel een andere zaak. Wat is de rechtvaardiging dat de gemeenschap voor de lasten opdraait van iemand die werkt voor een kostwinner die de lasten best zelf kan dragen?

De vrijstellingen maken, door de economische verhoudingen te verstoren, dat er veel meer huishoudpartners zijn dan wanneer ze er niet waren. Tegelijkertijd veroorzaken ze een zekere gretigheid bij mannen/kostwinners zich van een huishoudpartner te voorzien. Dit heeft zijn weerslag op het totale arbeidsbestel. Solliciteert een jonge voruw, dan ziet de personeelschef haar straks al teruggebracht worden tot een halve of een kwart arbeidskracht vanwege de noodzaak voor een groot deel huisvrouw te worden, als er kinderen komen. Solliciteert een jonge man, dan ziet hij hem uitgroeien tot anderhalve arbeidskracht, omdat zijn huisvrouw dan belang zal hebben gekregen bij de groei van zijn salaris en hem dus zo veel als in haar vermogen ligt zal ondersteunen. De wetgeving inzake belastingen, sociale zekerheid, enzovoorts werkt dus een continue positieve discrimniatie en bevoordeling van mannen op de arbeidsmarkt in de hand.

Hoe staat het nu met de jonge moeders die hun eigen beroep willen uitoefenen en hun kinderen deels door een ander laten verzorgen? In de jaren negentig is er een buitengewone lasten-aftrek gekomen tot een bepaald plafond en boven een drempel. Ten gevolge van die aftrek is het aantal werkende moeders met goede opleidingen aanzienlijk toegenomen.

En dan de kinderopvang en de zware eisen die aan de kwaliteit ervan worden gesteld. Hoe terecht die ook zijn voor crèche en buitenschoolse opvang, waarom mogen ouders niet een prettige hulp in huis halen en de kosten daarvan, voor het deel dat de kinderen betreft, aftrekken? Want iedere man kan wel welke ongeschikte vrouw dan ook in zijn huis halen om voor hem en zijn kinderen te zorgen en de kosten daarvan op de goegemeente afwentelen. Dat is meten met twee maten en werkende moeders met hun partner zijn de dupe.

Bovendien blijft ook in de nieuwe wet een groot deel van de kinderopvangkosten niet aftrekbaar. Waar slaat dat op? Nu eindelijk erkend is dat dit soort uitgaven tot de aftrekbare arbeidskosten behoren, moeten zij ook in hun totaliteit aftrekbaar zijn (met uitzondering van dat percentage dat op voedsel en verwarming slaat, welke kosten anders thuis waren gemaakt). Wie kosten moet maken om betaalde arbeid te verrichten, kan die kosten aftrekken. Een uitzondering maken ten laste van werkende moeders, doorkruist het systeem en is onbillijk.

Wie gehoopt had op nieuwe belastingwetgeving geschikt voor een eeuw met steeds meer ouderen en werkende vrouwen en steeds minder kinderen en huismoeders, komt bedrogen uit. Het is mooi dat aan wensen van vrouwen van een kwart eeuw geleden is tegemoetgekomen. Maar met zijn handhaving van de voordelen voor de twee-relaties van kostwinner en zijn huishoudpartner en zijn verwaarlozing van de kinderopvangkosten is dit wetsontwerp nu al een verouderd stuk.

mailIcon print |