*

 
dossier

Archief

GAANDEWEG

Dienke Bosscher − 05/02/00, 00:00

Was ik de moeder maar van deze jonge vrouw, nee dit meisje eigenlijk nog, kon ik me nu zonder gêne uitlaten over haar plannen. Wanhopig haar wijzen op de onmogelijkheid van zo'n groot leeftijdsverschil, teleurgesteld haar aan haar studie herinneren en de interessante baan die zij op het punt staat op te geven, en tenslotte doodsbang haar de gevaren toeroepen van het gaan naar dat gevaarlijke, politiek instabiele land met die man die zijn obscure praktijken daarheen wil gaan verplaatsen en die zomaar uit een gezin stapt met vier jonge kinderen.

Met haar! Obscure praktijken? O niet soms? En waarvoor heeft hij dan gezeten? Even maar. Jazeker, het is een handige jongen, die kletst zich er wel uit, nou ja, jongen! En: ,,een stuk onverstand, dat ben je!'', dat schreeuwde haar moeder ook nog tegen haar.

Dat alles zou ik dan ook mogen zeggen, roepen, schreeuwen, nu mag ik het hoogstens denken. Ze heeft al een roepende moeder, verontwaardigde vriendinnen, verbaasde collega's.

Hoopvol kijkt ze mij nu aan. Ze zit nu bij een therapeute, denkt ze en die zijn vóór gevoelens en tegen ieder strobreed dat daaraan in de weg wordt gelegd. Om me daarbij behulpzaam te zijn haalt ze het portret voor de dag dat ze van hem met zich mee draagt. Daar is hij dan, maar zijn portret helpt me niet in de door haar gewenste richting. Die knappe vent, een hele kerel zo te zien, is daarvoor iets te rijkelijk besnord en van tanden voorzien, of zijn het das en pochet die wat te aanwezig zijn?

Ik voel medelijden met haar. Gelukkig zou ze nu moeten zijn, optimistisch en vol plannen. Uitgaan, thuiskomen en slapen met haar minnaar en alvast zomerkleren kopen met haar vriendin, haar moeder, haar zusje, voor dat warme land. En op haar werk zou ze bezig moeten zijn een nieuwe collega in te werken in de vrolijke verwachting van het afscheidsfeest dat misschien al in het geheim voor haar wordt voorbereid. Maar niets van dat alles. En daar komt ze eigenlijk voor. Om iemand te doen meeleven met haar plannen. Iemand die zegt: ,,Wat fijn voor je kind,'' of ,,ik kom je opzoeken hoor'', ach, om de zegen te krijgen van iemand, wie dan ook.

Ondertussen hoeven we nog lang niet uitgepraat te zijn. Over de noodzaak van die zegen zouden we het kunnen gaan hebben en wat maakt dat ze juist nú extra te kampen heeft met wat ze haar zwakke identiteitsgevoel noemt. Dat ze zo vaak twijfelt, tegen anderen aanleunt, haar meningen onvoldoende over het voetlicht denkt te kunnen brengen en nooit, nee nooit vierkant achter haar eigen besluiten staat. En dat juist nu, nu ze haar grote liefde heeft ontmoet en bij een therapeut niets te zoeken zou moeten hebben.

Dit alles zou een goede lijn voor de volgende gesprekken kunnen worden. Maar voor ze vandaag de kamer verlaat, wil ze iets horen. Iets waar ze wat aan heeft. Niet over haarzelf moet dat advies gaan, maar over wat haar te doen staat. Wat ze moet besluiten. Want ze leunt nu tegen mij aan. En ze rekent op mijn mening om haar twijfels af te dekken, haar geloof in haar grote liefde recht overeind te houden met behulp van mij die haar moet helpen er vierkant achter te staan.

En dan gebeurt het weer. Een doodenkele keer weliswaar, maar dan toch juist op het moment dat ik er zo om verlegen zit komt, uit het niets, de inval. Ik hoor mezelf iets zeggen en denk dan pas: ,,Hé, zo kun je er ook tegen aan kijken, dat moet ik onthouden voor een volgende keer of voor mijn eigen leven''. En wat hoor ik nu?: ,,Ach, alle grote liefdes zijn onverstandig. Anders zouden we er nooit van gehoord hebben. Denk eens aan Tristan en Isolde, of José van Carmen of....'', een stoet tragische gestalten trekt nu in deze kamer aan ons voorbij en we vrolijken er allebei van op. Ik zie dat ze terug zal komen voor het volgende gesprek ook al bracht dit niet precies waar ze voor kwam.

Die volgende keer komt voorlopig niet. Ze blijft weg, laat niets horen. Tot er ineens een briefje komt, waarin ze vraagt om een afspraak op zeer korte termijn.

En daar zit ze dan. Wat bleker, een arm in een mitella, niet gebroken hoor, wat gekneusd, zo stelt ze me gerust en haar gezicht draagt een geelachtig spoor van wat een blauwe plek rondom haar oog moet zijn geweest. Hij is weg. Heeft het contact met haar verbroken. Met zijn gezin ook, trouwens. En ze mist hem bitter, staat nu wel degelijk vierkant achter het besluit dat niet meer genomen hoeft te worden. En die arm? En dat oog? Dat legt ze uit. Hij drinkt wel eens wat te veel. Hij leeft ook onder zware druk. Dat gezin van hem en zijn steeds wisselende werkzaamheden in binnen- en buitenland en alles in eigen beheer. Eenzaam is hij eigenlijk. En dan wordt hij wel eens wat impulsief. Hij had er ook meteen erge spijt van, meldt ze, vol mededogen.

Werkelijk, die man is haar grote liefde en een volgende liefde zal misschien verstandiger zijn, maar zó groot kan nooit meer.

mailIcon print |