*

 
dossier

Archief

Herkomst van tekst die niet van Paulus is, blijft onduidelijk

Pieter van der Ven − 08/01/00, 00:00

Misschien is Trouw wel het laatste gezaghebbende medium op aarde dat de Brief aan de Hebreeën onbekommerd aan Paulus als auteur toeschreef. Het gebeurde gisteren, op de voorpagina nog wel, nadat er een papyrussnipper was gevonden met een minifragment uit het derde hoofdstuk, mogelijk eeuwen ouder dan het nu oudste handschrift.

Ver vóórdat men in bijbelland aan alles ging twijfelen, zeker aan de echtheid van de vermeende auteurs, waren de geleerden het over één ding eens: die Hebreeënbrief kon onmogelijk van Paulus zijn. Taal, stijl, denken zijn te anders. Hiëronymus (±400), de vertaler van de Bijbel in het Latijn, deed maar wat toen hij deze brief aan het slot van de Pauluscollectie plaatste.

In de jaren dertig was de latere kardinaal Alfrink professor Nieuwe Testament op het grootseminarie Rijssenburg. Daar is toen een enorme brand geweest en Alfrinks boekenkast, al zijn dictaten en aantekeningen gingen in vlammen op. De om zijn droge humor gekende oud-aartsbisschop moet starend naar de droeve rook hebben gezegd: ik ga maar college geven over de Hebreeënbrief. Daar had hij zich tot dan toe nooit in verdiept, hij had er niks van en was er dus ook niets van kwijtgeraakt. Wel een heel sterk paardenmiddel om tot liefde voor dit bijbelse buitenbeentje te ontbranden.

Van wie is de brief aan de Hebreeën dan wél? Van Barnabas? Lucas? Van Priscilla of een andere vrouw uit Paulus' gevolg? Is het trouwens wel een brief? Het heeft meer het karakter van een toespraak op een toogdag, met slechts een wat briefachtig, paulinisch slot. Tot wie is hij gericht? Tot 'Hebreeën'? Maar welke Joden dan? Die in Jeruzalem of juist elders?

Dr. R. Roukema, nieuwtestamenticus in Kampen, noemt antwoorden op veel van zulke vragen slagen in de lucht. We weten het niet. We weten dat de auteur een andere is dan die van Paulus' brieven en dat hij goed thuis was in het Jodendom van Jeruzalem, met zijn rituelen, offers en tradities.

Roukema erkent dat menig predikant nu voor een actuele preek niet snel bij de Hebreeënbrief aanknoopt, maar hij wijst tegelijk op een herontdekking. Juist door die aparte invalshoek laat deze brief zien hoe divers het jonge christendom was. Sommige verzen klinken ons ronduit antisemitisch: ,,Als hij (Christus) zegt 'een nieuw verbond' dan heeft hij het eerste oud gemaakt (...) het is verouderd en de verdwijning is nabij'' (8 vers 13).

Maar Roukema onderstreept dat je zulke teksten historisch moet lezen. De Hebreeënbrief van toen was geen 'christelijk' document gericht tegen Joden. Dat was een bont Joods geheel zonder afgebakende grenzen.

Erg onder de indruk van de gevonden papyrussnipper is Roukema vooralsnog niet. Er zijn meer hele oude snippers. Eerste, tweede eeuw? Vaak moeten eerste enthousiaste schattingen later enkele eeuwen worden bijgesteld. En dan nog. Leuk wordt het pas als de oude snipper zou afwijken van de nu bekende of meest gezaghebbende teksten. Maar in de Hebreeënbrief spelen verschillen geen grote rol.

Weerbarstig blijft intussen met alle snippers van de wereld wat het allemaal nog betekent - ,,het bloed van Christus dat onstraffelijk is opgeofferd'' en ,,uw ziel reinigt van dode werken''.

mailIcon print |