,,We moeten de discussie over de basisverzekering niet vanuit ideologische standpunten voeren'', zei VVD-kamerlid Van Blerck bij de behandeling van de vorige Zorgnota van het kabinet. ,,Als iedereen dat doet, komen we er nooit uit.''
Exact twaalf maanden later is precies gebeurd waar de liberaal bang voor was. Uit de plannen van de grotere partijen die inmiddels naar buiten zijn gekomen, blijkt dat vrijwel iedereen tien jaar na de mislukking van het 'plan-Simons' vindt dat er een basisverzekering tegen ziektekosten moet komen. Over de vorm bestaat op z'n zachtst gezegd weinig overeenstemming.
Op het eerste gezicht gaat het hier om een politiek debat met een uiterst technisch karakter, dat voor de meeste burgers weinig actuele waarde heeft. Dat is echter slechts schijn; in de kabinetsformatie van 2002 moet, kort gezegd, worden beslist op welke basiszorg tegen welke prijs iedere Nederlander in de nabije toekomst nog recht heeft. Een cruciale vraag in een tijd waarin de kosten van de gezondheidszorg snel stijgen en het maar niet lukt wachtlijsten weg te werken.
De twee uitersten in de discussie worden gevormd door huidige coalitiepartners VVD en PvdA. Beide partijen vallen daarbij de afgelopen maanden juist sterk terug op hun ideologische wortels. De VVD pleit voor veel individuele keuzevrijheid en voor marktwerking, de PvdA voor zoveel mogelijk solidariteit tussen de hogere inkomens bij de financiering van het stelsel.
Centraal daarbij staat de vraag welke premie de verzekerde straks gaat betalen: nominaal (kostendekkend) of inkomensafhankelijk. De liberalen pleiten samen met oppositiepartij CDA voor een zo hoog mogelijke nominale premie, waarbij de hoge kosten voor de lagere inkomens via de belastingen worden gecompenseerd. Voordeel van zo'n stelsel is niet alleen dat de patiënt meer wordt geconfronteerd met de werkelijke kosten van de zorg, maar ook dat de huidige ziekenfondsen en particuliere zorgverzekeraars voor maximale (prijs)concurrentie kunnen gaan zorgen.
De sociaal-democraten willen er net als GroenLinks en de SP juist voor zorgen dat de hogere inkomens via een inkomensafhankelijke premie meer gaan bijdragen dan zij in het huidige systeem doen. Voorzover er daarnaast plaats is voor een nominale premie, mag die niet hoger zijn dan nu in het ziekenfonds gebruikelijk is. En dat alles voor een breed pakket aan voorzieningen -inclusief de tandarts, maar ook de ouderenzorg- waarin de cliënt zich dus niet voor allerlei verstrekkingen hoeft bij te verzekeren.
D66 ten slotte neemt een tussenpositie in, met een pleidooi voor een forse nominale, naast een inkomensafhankelijke premie. D66-woordvoerder Bakker vindt in ieder geval meer marktwerking nodig, die een eind moet maken aan de huidige 'sovjetachtige centrale planning' in de sector.
Aan compromissen lijken de verschillende partijen voorlopig niet toe te komen. ,,Daarmee nemen we geen genoegen'', zei PvdA-fractievoorzitter Melkert onlangs over de ideeën van VVD en CDA. ,,Als ik naar u luister, lijkt het alsof er een oude grammofoonplaat uit de jaren tachtig op de draaitafel wordt gelegd'', voegde Van Blerck haar PvdA-collega Oudkerk gisteren toe. En ook in de Sociaal-Economische Raad -die vorig jaar al door D66-minister Borst om een advies werd gevraagd- is de temperatuur tussen bonden en werkgevers recentelijk tamelijk hoog opgelopen.
Borst wil het uiteindelijke Ser-advies gebruiken als een van de 'bouwstenen' voor een discussienota van het kabinet over de kwestie. Meer definitieve besluiten zullen waarschijnlijk niet meer vóór de verkiezingen van 2002 vallen. Op ten minste één punt heeft de kiezer in dat jaar dus ook echt iets te kiezen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.