*

 
dossier

Archief

Hoe de polder verzonk

THEEUWES − 08/02/00, 00:00

Ze fietst elke ochtend naar haar werk en ze gaat er elk jaar op vooruit. Hoeveel ze erop vooruitgaat, hangt niet van haar af. Dat wordt in nachtelijke vergaderingen door sterke mannen uit werkgeverskringen en vakbonden 'uitonderhandeld'. Als de mannen klaar zijn, schrijven ze, vermoeid maar tevreden, een cao. De minister van sociale zaken maakt die cao voor haar en voor ons bindend.

Het cao-loon is de ruggengraat van het poldermodel. Er wordt voor gewaakt dat het cao-loon niet uit de band springt, want loonmatiging is goed voor de export en het werk. Zo is het altijd gegaan, maar zo zal het niet blijven. In de toekomst zal haar loon steeds meer van haar prestaties afhangen en steeds minder van wat centraal wordt beslist.

Op dit moment zit het cao-loon stevig in het zadel. Het geeft rust en zekerheid. Er zijn echter duidelijk verschuivingen naar meer prestatiebeloning merkbaar. Prestatiebeloning betekent dat je salaris afhangt van je prestaties of van de prestaties van je bedrijf. Als de baas tevreden is over je werk krijg je een periodiek extra, en als hij fenomenaal tevreden is, krijg je promotie en schuif je een hele loonschaal op. Dat was altijd al zo, maar nu gaat het harder. Steeds meer werknemers krijgen gratificaties en provisies voor hun hogere productiviteit of betere omzet of ze delen in de winst. Nu reeds heeft 38 procent van de werknemers een prestatiebeloning. In de bank- en verzekeringssector heeft bijna iedereen het. Op de totale loonsom is het aandeel van de prestatiebeloning nog niet groot, maar het is, vooral sinds het midden van de jaren negentig, groeiende.

Het zal nog meer groeien. Het cao-loon stamt uit de industriële economie van weleer en past niet bij de diensteneconomie van nu. In de industrie hangt de productiviteit vooral af van het productieproces (denk aan de lopende band) en veel minder van de individuele prestaties van de werknemer. Dan is het logisch om iedereen hetzelfde cao-loon te betalen. Maar in een diensteneconomie hangt de kwaliteit van de dienst af van de persoonlijke inzet van de werknemer. Om die inzet te stimuleren, ligt het voor de hand op individuele resultaten te belonen. Prestatiebeloning past ook bij de individualiseringstendens in de samenleving.

Het cao-loon is belangrijk omdat de regering dat wil, niet omdat er zoveel leden van de vakbond zijn. Slechts een kwart van de werknemers is vakbondslid. Maar omdat de minister van sociale zaken de cao's algemeen verbindend verklaart, gelden ze ineens voor driekwart van de werknemers. Indien in de toekomst een regering het wil, is het zo afgelopen met de centrale rol van het cao-loon.

Als het cao-loon wegvalt, dan betekent dat nog niet dat de loonontwikkeling tomeloos zal verlopen. Nee, want het prestatieloon volgt de beweging van de economie. In goede tijden presteren werknemers beter, zijn de winsten hoger en is er ruimte en aanleiding voor hogere beloning. In slechte tijden is die ruimte er niet. In slechte tijden komt er daardoor vanzelf een gematigde loonontwikkeling en dat geeft lucht.

Het cao-loon wordt niet morgen afgeschaft en ook niet overmorgen, want niet iedereen is enthousiast over prestatiebeloning. Maar als onze fietsster in 2020 nog werkt, dan hangt het helemaal van haarzelf af of ze erop vooruitgaat.

mailIcon print |