Twee derde van de schriftelijke vragen baseren Tweede-Kamerleden op berichten in de media. De onderzoekers die dit vaststellen, vinden dat kamerleden ook minder publiciteitsgevoelige onderwerpen op de agenda moeten zien te krijgen.
Kamerleden die informatie of opheldering willen vragen over bepaalde onderwerpen, kunnen dit doen door verantwoordelijke bewindslieden schriftelijk te bevragen. Dit middel staat hu n dagelijks ter beschikking, in tegenstelling tot andere vormen van politieke actie, zoals debatten en overleg met de regering waarbij kamerleden afhankelijk zijn van steun van collega's om hun punt op de vaak overvolle kameragenda te krijgen. Burgers en belangengroeperingen met prangende vragen of kwesties zijn daarom vaak aangewezen op de bereidheid van kamerleden om schriftelijke vragen te stellen.
Kamerleden blijken zich bij hun schriftelijke vragen echter vooral beroepen op de media, zo blijkt uit ons onderzoek. Analyse van de gegevens uit de periode september 1998 tot en met augustus 1999 leert dat meer dan tweederde van de 1750 kamervragen rechtstreeks te herleiden is tot berichten in de media. Met name valt op dat kamerleden zich hoofdzakelijk baseren op de landelijke kranten. De Volkskrant, Trouw en De Telegraaf nemen gezamenlijk 22,3 procent van de verwijzingen naar mediabronnen voor hun rekening.
Het frequente gebruik dat kamerleden van mediabronnen maken, is op zichzelf niet vreemd. Kamerleden zijn drukbezette mensen. Ze hebben simpelweg geen tijd om alternatieve informatiebronnen te raadplegen. Het is voor volksvertegenwoordigers praktisch onmogelijk met alle burgers rechtstreeks contact te hebben. Om toch te weten welke wensen en problemen leven in de maatschappij, zijn zij voor een belangrijk deel dus aangewezen op de media.
Toch zijn de resultaten opmerkelijk wanneer we in ogenschouw nemen dat er de laatste tijd veel kritiek is op de wijze waarop de media ontwikkelingen in de samenleving verslaan. Columnist Van der List van Elsevier stak onlangs de hand in eigen boezem en signaleerde dat de Nederlandse media op dit moment vooral gericht zijn op personen en relletjes in plaats van op de inhoud van beleid. In veel gevallen zijn de media immers afhankelijk van kijkcijfers en lezersaantallen waardoor tijd en geld ontbreekt voor diepgravende analyses.
Ook politici hebben kritiek. Waar voormalig PvdA-fractievoorzitter Wallage de parlementaire pers ooit 'hoerigheid en gemakzucht' verweet, liet voormalig VVD-fractievoorzitter Bolkestein zich onlangs ontvallen het journaille een stelletje zeikerds te vinden. Zo ontstaat een interessante paradox waarbij politici de media fel bekritiseren, maar tegelijkertijd sterk op de media leunen bij het agenderen van politieke vraagstukken.
Bovendien is het voor kamerleden noodzakelijk om zich te profileren bij het grote publiek. De media bieden een goede gelegenheid om de zichtbaarheid bij het electoraat te vergroten. Door zich juist onderwerpen aan te trekken die per definitie publiciteitsgevoelig zijn, kunnen kamerleden meeliften op de media-aandacht voor het onderwerp. Het is de vraag of deze situatie altijd even wenselijk is. Zo wees de enquêtecommissie naar de vliegramp in de Bijlmermeer op het gevaar dat kamerleden hun aandacht voor een kwestie verliezen zodra het onderwerp uit beeld verdwijnt.
De media-afhankelijkheid van kamerleden betekent bovendien dat belangenorganisaties en individuele burgers die politieke aandacht vragen, zich beter eerst kunnen richten op de pers en pas wanneer publiciteit verzekerd is, de kamerleden benaderen. Dit betekent dat de belangengroeperingen gedwongen worden om hun boodschap mediageniek te maken. Op deze wijze ontstaat een vicieuze cirkel waarbij de noodzaak om in de pers te komen alle betrokkenen dwingt de politieke boodschap toe te snijden op de wensen van de journalistiek.
Kamerleden zouden deze mediacirkel kunnen doorbreken door meer gebruik te maken van andere bronnen dan de traditionele media om te weten wat er in de samenleving speelt. Natuurlijk kunnen zij onmogelijk dagelijks het land ingaan om meningen te peilen. Dat is ook niet meer nodig. Met de technologische ontwikkelingen, zoals e-mail en internet, hoeven kamerleden niet langer fysiek naar de achterban te gaan. De achterban komt virtueel naar Den Haag.
Internet - verschillende homepages, nieuws- en discussiegroepen - biedt een schat aan informatie voor volksvertegenwoordigers. Het heeft ons daarom verbaasd dat kamerleden in een jaar tijd bij het stellen van schriftelijke vragen slechts negenmaal verwezen naar een internetpagina. Ook e-mail biedt ongekende mogelijkheden voor communicatie met de achterban. Tot op dit moment lijken de e-mailadressen van de meeste kamerleden echter alleen bekend bij intimi en een klein aantal goed ingevoerde belangenorganisaties. Slechts een zeer beperkt aantal kamerleden heeft een eigen homepage. Dit is jammer, omdat een homepage bezoekers de mogelijkheid zou kunnen bieden om vragen te stellen en kwesties aan te kaarten. Waarom heeft elke parlementariƫr niet een standaard-vragenformulier op zijn of haar website dat de bezoeker kan invullen? Een groot voordeel van de nieuwe media is de toegankelijkheid. Waar brieven en faxen formeler zijn en meer tijd kosten, zijn e-mail en websites snel te raadplegen.
Natuurlijk moet voorkomen worden dat de sites een soort Haagse Klaagmuur vormen, waarbij elke burger zijn persoonlijke grieven kan uiten onder het mom 'Heb je een wens, vraag het de Kamer'. Een goed gestructureerd formulier dat belangstellenden dwingt om alleen werkelijk relevante vragen duidelijk onder woorden te brengen, kan veel irreƫle verwachtingen voorkomen.
Websites en e-mail zijn slechts hulpmiddelen om kamerleden beter in staat te stellen een afweging te maken van belangen, ook van de belangen die niet direct kunnen rekenen op publiciteit. Uiteindelijk blijven de kamerleden zelf verantwoordelijk of zij kwesties wel of niet aan de orde stellen. Zij stellen immers de vragen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.