*

 
dossier

Archief

Verkamman

Matty Verkamman − 22/01/00, 00:00

Op het secretariaat van Dinamo Zagreb interview ik op vrijdag 1 juni 1990 een bijzondere voetballer: Zvonimir Boban. In de catacomben van het Maksimir-stadion kijkt Boban tussendoor naar trainende voetballers uit, dan nog, Groot-Joegoslavië en Nederland. Boban is net twintig en nog even verwijderd van een status als topspeler bij AC Milan. Op die eerste juni 1990 tennist hij met een rugby-vriend van de omni-sportclub Dinamo Zagreb. Voetballen is er voor hem voorlopig niet meer bij. Voor de oefeninterland Joegoslavië-Nederland kan hij niet in aanmerking komen, want de voetbalbond heeft hem voor lange tijd uitgesloten. Boban legt uit dat het om een zuiver politieke schorsing gaat. Hij, de katholieke Kroaat met sterk ontwikkelde anti-communistische gevoelens, is aangepakt door het centrale gezag in Servië. ,,Ik blijf beweren dat ik niet door de Joegoslavische voetbalbond gestraft had moet worden, maar eventueel door de burgerrechter.''

Bijna tien jaar na de schorsing voor Zvonimir Boban, komt de film van toen al voelbare dreiging op de Balkan weer voorbij. Wanneer de Joegoslaven van bondscoach Ivica Osim voor de eerste training in het Maksimir-stadion binnen komen, voelen zij de grimmigheid van de Kroaten. Ook bij Boban spannen de kaken. De bond heeft geprobeerd de interland naar Belgrado te verplaatsen, maar Oranje prepareert zich in het Kroatische Samobor op de WK-eindronde in Italië en derhalve houdt de KNVB vast aan het afgesproken Zagreb. Dat is voor de thuisploeg een groot probleem, want de nationale selectie bestaat grotendeels uit Serviërs.

Speciaal naar één speler kijkt Boban op een manier die bijna bloeddorstig is te noemen. Die ene is zijn vijand, sterspeler Dragan Stojkovic, de Servische vedette die Rode Ster Belgrado voor Olympique Marseille heeft verwisseld. Stojkovic heeft het vuurtje opgestookt door in Servische bladen te beweren dat Boban slechts op één plaats thuis hoort: in de gevangenis. Die opvatting leidt er toe dat Stojkovic in het bijzonder en alle andere Joegoslaven in het algemeen, de volgende dag in de wedstrijd tegen Oranje geen leven hebben. Vooraf wordt door het publiek uitdagend voor het Wilhelmus geapplaudiseerd en de rug naar de Joegoslavische vlag gekeerd, zodra de Joegoslavische hymne wordt ingezet. Pas na de laatste toon van dat volkslied, draaien de toeschouwers zich weer om.

Vorige week was er de moord op Zeljko Raznatovic, bijgenaamd Arkan. Het was deze misdadiger aan wie Zvonimir Boban zijn schorsing mede had te danken. Arkan had rond Rode Ster Belgrado een gevreesde groep jonge criminelen verzameld. Zij werden de Tijgers, die later dood en verderf zouden zaaien bij de diverse etnische conflicten. Als zogenaamde voetbalsupporters namen zij op 13 mei 1990 een voorschot op hun misdaden, door in Zagreb bij de wedstrijd tussen Dinamo en Rode Ster voor ernstige vormen van provocatie te kiezen. De oproerpolitie, volgens Boban in hoofdzaak gevormd door Serviërs, reageerde niet op het geweld van de Servische hooligans, maar kwam wel in actie toen de fans van Dinamo tegenactie ondernamen.

Boban bemoeide zich met de confrontatie. Hij wees een politieman op hetgeen zich in het vak van Rode Ster-supporters allemaal afspeelde en kreeg meteen harde klappen van drie dienders. Hij reageerde met een karatetrap op een Servische agent. Later die dag ontaardde de voetbalstrijd in gevechten die heel Zagreb teisterden. ,,Dit komt nooit meer goed'', zegt Zvonimir Boban mij op 1 juni 1990.

mailIcon print |