Niemand die in drie woorden kan uitleggen wat 'Europees' is. Als hij al bestaat weet de Europeaan, balancerend tussen opstandigheid en weemoed, vooral wat hij niet wil. Wat verbindt Europeanen? En waarin verschillen wij dusdanig dat wij ons binnenshuis -opgelucht- nimmer Europeaan weten? Maandelijks onderzoekt Trouw wat de Europeanen bindt, en wat hen onafwendbaar blijft scheiden. Vandaag: Waar woont de vlinder?
Het gaat slecht met de vlinders in ons land, melden De Vlinderstichting en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Als belangrijkste oorzaken worden verdroging, vermesting en verzuring van de grond genoemd. Voor een groot aantal soorten -vooral de bewoners van vochtige en schrale graslanden en heidevelden, geldt dat inderdaad, maar voor andere ben ik daar niet zo zeker van.
De warme, droge en zonnige zomer van 1999 was gunstig voor veel vlinders. De heivlinder, die steeds zeldzamer werd, was die zomer een van de talrijkste vlinders in de duinen van Texel. Het zal wel plaatselijk zijn, maar wandelend op Texel was het moeilijk te geloven dat het aantal heivlinders sinds 1990 gehalveerd is.
Iedereen die wat verder kijkt dan de Nederlandse grens, zal zien dat elders in Europa veel meer vlinders rondvliegen dan bij ons. Dat zie je al in België, met name in de Ardennen. En het valt op in Midden-Frankrijk, in de dorre heuvels van Portugal, de Spaanse Extremadura, de Zwitserse Alpenweiden en, verder weg, de landen van het voormalige Oostblok.
Die grotere vlinderrijkdom heeft vooral klimatologische oorzaken. Droge zomers zijn ongunstig voor de ontwikkeling van parasitaire schimmels, die in vochtige zomers ontelbare slachtoffers onder de rupsen maken. Zolang ook de waardplanten gedijen, zorgt een droog en warm klimaat voor grote aantallen vlinders, veel soorten én veel individuen.
Het mag in ons land minder goed gaan met de vlinders dan elders, in het grote Europa is Nederland maar een klein stukje. Het getuigt van onterecht chauvinisme dat we ons druk maken over het uitsterven van bijvoorbeeld het dwergblauwtje -in 1982- terwijl datzelfde vlindertje elders in Europa zo gewoon is als hier de koolwitjes. Het beestje leefde hier op de rand van zijn verspreidingsgebied; het dwergblauwtje had hooguit twee vliegplaatsen binnen onze landsgrenzen. Het komt zelfs nog voor op het Belgische deel van de Sint-Pietersberg. We kunnen ons beter druk maken over het voortbestaan van de kalkgraslanden in de Ardennen en in de Eifel, waar nog veel dwergblauwtjes rondvliegen, dan te treuren om het verdwijnen uit Nederland van deze toch al marginale soort.
We moeten Europees leren denken in de bescherming van de natuur. Dat wordt geprobeerd door de Raad van Europa, die doorvoor al dertig jaar een speciaal bureau heeft: Centre Naturopa. Dit bureau geeft een gratis glossy tijdschrift in verschillende talen uit, maar de invloed van de Raad op het Europese denken over natuur lijkt miniem.
Op het gebied van de vogelbescherming heeft Europa wel iets bereikt. De lidstaten zijn verplicht zich te houden aan de Europese Vogelrichtlijn. Maar hoe weinig bescherming die richtlijn biedt, blijkt uit de milieuramp in het Spaanse nationale park Coto Doñana. 65 vierkante kilometer van het park is in bezit van het internationale World Wildlife Fund. Bovendien is het beschermd als gebied onder de Wetlands-Conventie, als Speciale Beschermingszone onder de Europese Vogelrichtlijn én als Biosfeer Reservaat van de Unesco. Maar in 1998 brak een dam in het opslagbassin van een pyrietmijn, waardoor zes miljoen kubieke meter modder met hoge concentraties arseen, zink en lood het gebied instroomde. De Spaanse autoriteiten reageren uiterst laconiek. Er wordt wel gesaneerd, maar veel te traag. De veronreinigingen kwamen in het grondwater terecht, wat de ramp nog groter maakte.
Als Europeanen zo omspringt met zijn vogels, kan een Europese bescherming van dagvlinders nog lang op zich laten wachten. In vrijwel alle Europese landen staat vlinderbescherming op een laag pitje. Meestal zijn het een paar vrijwilligers, een of twee mensen in een nationaal museum of universiteit, die zich ermee bezig houden.
Mooie boeken over vlinders en de noodzaak tot bescherming zijn er voor een hele reeks landen, zoals Griekenland, Turkije, Zwitserland, Denemarken en Bulgarije. Maar de bescherming ligt in handen van de nationale overheden en die hebben vaak wat anders aan hun hoofd.
Groot-Brittannië kent een stringente wetgeving om dagvlinders te beschermen. In Nederland zijn 21 dagvlindersoorten wettelijk beschermd. In Duitsland zijn alleen de koolwitjes niet beschermd. Frankrijk beschermt alleen een paar zuidelijke soorten. Het Belgische beleid op vlindergebied draagt alle kenmerken van politieke gespletenheid: Vlaanderen kent zeven, Wallonië twintig beschermde soorten.
Maar ook in de landen waar de bescherming wettelijk geregeld is, laat deze te wensen over. De bescherming omvat hooguit een vangstverbod, wat weinig zinvol is als de leefgebieden van de beschermde soorten worden aangetast. Het pimpernelblauwtje en het donker pimpernelblauwtje, die vroeger op vochtige beekdalgraslanden in Midden-Limburg en Noord-Brabant voorkwamen, stierven in de jaren zeventig op hun laatste Nederlandse vliegplaatsen uit. In 1990 werden beide soorten door De Vlinderstichting uitgezet in een natuurreservaat in Noord-Brabant. In dit geval is herintroductie niet alleen voor onze vlinderwereld van belang, want beide soorten zijn in heel Europa bedreigd.
Herintroductie van het dwergblauwtje is niet nodig, vinden de vlinderbeschermers, want de soort kan zich met het andere beheer van de kalkgraslanden op de Sint-Pietersberg weer in ons land vestigen. Alsof het Europees gezien zo belangrijk is dat het vlindertje nog net in ons Limburg voorkomt. Deze aan bijzondere planten en dieren zo rijke provincie hoort geografisch toch al niet bij de Lage Landen, maar bij Midden-Europa. Zonder Limburg zou de Nederlandse flora en fauna ettelijke soorten armer zijn. Maar dat zijn soorten die elders in Europa geen opzien baren.
Hetzelfde chauvinisme klinkt ook in de treurzangen om het verlies in Nederland van nog eens zestien dagvlindersoorten, die je op een wandeling door Zuid-Engeland, de Ardennen, de Eifel en de Morvan veelvuldig tegenkomt.
VERVOLG OP PAGINA 19
Fladderend door een aangeharkt land
VERVOLG VAN PAGINA 17
Klimatologische omstandigheden mogen dan de hoofdoorzaak zijn dat veel -elders alledaagse- vlinders hier niet (meer) voorkomen, het idee dat vlinders Nederland mijden vanwege de keurige tuinen bevat een kern van waarheid. Maar het gaat niet zozeer om de tuinen. Engeland is nog pietluttiger met tuinen dan Nederland -in de Britse schuurtjes staan de afschuwelijkste bestrijdingsmiddelen- terwijl daar in verhouding meer vlindersoorten algemeen zijn dan in Nederland. Veel Nederlanders hebben heemtuinen of doen juist iets speciaals voor vlinders.
Nee, de oorzaak van onze geringere vlinderrijkdom heeft te maken met het aangeharkte Nederland; in Nederland zijn heggen en houtwallen zeldzame landschapselementen geworden. Elders in Europa zijn er veel meer. En juist die wat ongeregelde bosjes, wilde bermen, slecht onderhouden hagen, ruige graslanden en onbeschaafde veldwegen zijn vlinderparadijzen, veel meer dan tuinen.
Daar komt bij dat zulke lijnvormige landschapselementen wegen zijn waarlangs vlinders zich door het landschap verplaatsen. Zo vinden zij de plekken die op zichzelf gunstig zijn, maar waar een populatie van die bepaalde vlindersoort is uitgestorven door een paar natte en koude zomers, door ziekte, een brand of een plotselinge onweersbui. In Nederland zeldzame vlindersoorten zoals de zilveren maan en het spiegeldikkopje, zouden dan op heel wat meer plekken in ons land te vinden zijn dan in de enkele reservaten waar ze met kunst en vliegwerk in stand worden gehouden.
Weersomstandigheden kunnen het voortplantingssucces van dagvlinders sterk beïnvloeden, maar ernstiger is het verdwijnen van leefgebieden door ontginning, ontwatering en in het algemeen veranderd grondgebruik. De oorzaak van de verdwijning van de pimpernelblauwtjes in de jaren zeventig is aanwijsbaar: ontwatering en intensiever gebruik van beekdalhooilanden. Ook dat is het aangeharkte Nederland: verbeterd agrarisch grondgebruik om zoveel mogelijk van het land te halen.
Hoe ongepast het chauvinisme soms kan zijn, we hebben ook een nationale verantwoordelijkheid. Dat leert ons het verlies van het duingentiaanblauwtje. Deze ondersoort van het gentiaanblauwtje kwam alleen nog in Nederland voor. In 1979 is het vlindertje uitgestorven. Het is alleen nog in vlindercollecties te zien. Daar blijkt dan dat er ettelijke, nog veel voorkomende blauwtjessoorten bestaan, die veel mooier zijn dan dit tamelijk vaalblauwe beestje.
Nederland heeft nog zo'n specialiteit: de grote vuurvlinder. De Nederlandse grote vuurvlinder verschilt zozeer van buitenlandse soortgenoten, dat hij een aparte ondersoort vormt: Lycaena dispar batava. Die ondersoort is ooit uitgezet in Oost-Engeland en Ierland, waar hij vroeger ook voorkwam. Het is mogelijk dat zich daar op een enkel plekje nog Nederlandse grote vuurvlinders hebben weten te handhaven, maar de introductie is grotendeels mislukt.
Het voortbestaan van de ondersoort batava ligt dus geheel in Nederlandse handen. In de Wieden en de Weerribben worden riet- en hooilanden op een uitgekiende manier beheerd, aangepast aan de eisen van de vlinder. Dat betekent niet dat deze ernstig bedreigde ondersoort veilig is. De stand wisselt sterk van jaar tot jaar. De enige goede populatie bevindt zich nu in een klein gebied, de Weerribben. Als het maaien een jaar wordt overgeslagen, krijgen bomen en struiken de overhand en gaat het terrein voor onze grote vuurvlinder verloren.
Andere Europese landen gaan in rap tempo de inrichting van het Nederlandse landschap achterna. Overal verdwijnen de heggenlandschappen, omdat heggen de grote landbouwmachines in de weg staan. Overal maakt kleinschaligheid plaats voor grootschaligheid, omdat de economie dat vraagt. In Europa worden veel dagvlinders met uitsterven bedreigd. Ik noem de apollovlinder, de bremvlinder, de blauwe vuurvlinder, minstens zeven soorten blauwtjes, vier soorten parelmoervlinders, de voorjaarserebia, het boszandoogje, twee soorten dikkopjes en drie soorten hooibeestjes. Het uitsterven van het goudooghooibeestje lijkt al bijna niet meer te voorkomen. Of wij ons nu Europeaan voelen of niet, vlinderbescherming in Europees verband valt heel wat te doen.
Veel vlindersoorten gedragen zich Europees. Ondanks het aangeharkte landschap trekken elk jaar tal van vlindersoorten uit het zuiden naar het noorden. De bekendste zijn atalanta, distelvlinder, gele en oranje luzernevlinder, gamma-uil, kolibrievlinder, windepijlstaart en doodshoofdvlinder. Ze maken daarbij vaak helemaal geen gebruik van groene routes. Sommige soorten trekken over een breed front door vlinderonvriendelijke landschappen.
Dikwijls komen zulke trekvlinders op de gekste plaatsen terecht, zoals de doodshoofdvlinder, die ik ooit vond op het Amsterdamse Roelof Hartplein. Helemaal uit Afrika kwam deze grootste van alle pijlstaartvlinders, die we in ons land kunnen aantreffen. Maar hoezeer het klimaat bepalend is voor het voorkomen van vlinders, blijkt bij deze soort. De Afrikaanse immigranten leggen eieren op aardappel- en tomatenplanten, en op andere nachtschaden. De rupsen groeien langzamer dan hun Afrikaanse broeders en zusters, maar verpoppen zich uiteindelijk en brengen het zelfs tot vlinder. Maar de vlinder die hier uit de pop heeft verkommerde geslachtsorganen en is onvruchtbaar.
De eerste atalanta's, uit de pop gekomen in Zuid-Europa, arriveren hier in de tweede meihelft. Ze leggen in juni eieren op brandnetels, waaruit korte tijd later stekelige rupsen komen. Die vliegen als vlinder rond van eind juli tot nog wel midden oktober. Dan sterven ze van de kou, maar veel van deze Nederlandse atalanta's verkassen in zuidelijke richting, zoals de trekvogels ook doen.
Dat atalanta en distelvlinder hier een gespreid bedje vinden, is een gevolg van de manier waarop we met het landschap omgaan. De voedselplanten van de rupsen, brandnetels en distels, doen het prima op overbemeste bodem. Aan eten geen gebrek. Dat geldt ook voor de doodshoofdvlinder, want aardappelen worden op grote schaal gekweekt en zwarte nachtschade is een begeleidend onkruid van maïsakkers. Toch is de trek van de doodshoofdvlinder een doodlopende weg. En er zijn meer van zulke immigranten, waarvan de nakomelingen zich niet kunnen voortplanten. Dat heeft nu eens niets te maken met de manier waarop we met ons landschap omgaan, maar met het voor die soorten ongunstige klimaat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.