*

 
dossier

Archief

Minder asielzoekers, opvang nog steeds overvol

Door: redactie − 07/02/00, 00:00

Het asielbeleid begint zijn vruchten af te werpen, tenminste geredeneerd vanuit de opstelling van de verantwoordelijke bewindslieden, die een streng toelatingsbeleid voorstaan.

Kijkend naar de cijfers die staatssecretaris J. Cohen van justitie afgelopen vrijdag heeft gepresenteerd, mag geconcludeerd worden dat de opening van de poort naar Nederland nauwer en nauwer wordt. Waar Europa vorig jaar in totaal ruim 55 000 meer asielzoekers - vooral Kosovaren - zag binnenkomen (een stijging van 17 procent ten opzichte van 1998), had Nederland te maken met een daling van dertien procent (39 300 asielzoekers). Daarmee staat Nederland niet langer in de asiel-top-drie.

Dit 'succes' schrijft Nederland met name toe aan het dalende aantal Afghanen en Irakezen dat hier naartoe komt. Voor hen werd de tijdelijke verblijfsstatus eind 1998 afgeschaft. Speciale 'landendesks' hebben bovendien de kennis over deze landen vergroot, zodat eerder vastgesteld kan worden of de asielverhalen geloofwaardig zijn. Die wetenschap heeft blijkbaar veel Afghanen en Irakezen - hoewel nog altijd de nummers een en twee qua instroom - ervan weerhouden naar Nederland te komen.

Toch kan het kabinet niet honderd procent tevreden zijn over het asielbeleid. Want opvallend genoeg heeft de afnemende asielinstroom niet geleid tot een verminderde druk op de asielopvang in Nederland. Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) zag weliswaar de instroom met negen procent dalen tot 34 221 asielzoekers, maar tot een vermindering van het aantal op te vangen asielzoekers heeft dat merkwaardig genoeg niet geleid.

Op 1 januari 2000 verbleven 64 700 asielzoekers in de centrale opvang, 10 581 meer dan een jaar daarvoor. En dan te bedenken dat het COA sinds 12 oktober 1998 geen zogenoemde Dublin-claimanten en indieners van een tweede of derde asielverzoek meer opvangt. Ook zag het COA 12 procent van de binnengekomen asielzoekers niet terug in de opvang. De aanvragen van deze vreemdelingen werden reeds in de aanmeldcentra afgehandeld. Dat dat niet altijd even zorgvuldig gebeurde, blijkt uit het feit dat de rechter bij 28 procent van de direct afgewezenen hun bezwaarschrift kansrijk achtte.

Het probleem zit al een hele tijd aan de andere kant van de pijplijn: de uitstroom. Nog altijd moeten veel asielzoekers jarenlang wachten op een definitief ja of nee op hun asielverzoek. Hoewel de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verantwoordelijk voor de uitvoering van het asielbeleid, veel extra personeel krijgt (2000 ambtenaren eind 1998, 2740 eind dit jaar), heeft dit nog niet geleid tot een grotere 'productie'. De 'werkvoorraad' is alleen maar gegroeid: van 59 575 zaken op 31 augustus 1999 tot 62 937 per 1 januari dit jaar. Als belangrijkste redenen voor het trage verloop van de behandeling van zeer oude zaken noemt Cohen dat betrokkenen niet kunnen worden gehoord in verband met verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis (!), of dat informatie via Buitenlandse Zaken maar niet afkomt.

De grote werkvoorraad bij de IND heeft ook gevolgen voor de vreemdelingenrechters. Zij werden het afgelopen jaar geconfronteerd met meer zaken van asielzoekers die in beroep gingen tegen hun afwijzing. De rechters gingen ervan uit eind 1999 hoogstens nog 26 500 zaken op de plank te hebben. Het werden er 33 100. Om de werkdruk af te zwakken, wordt het aantal rechtbanken waar men vreemdelingenzaken behandelt, uitgebreid.

Een ander probleem vormt de verwijdering van uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat beleid kwam tot dusver nooit echt van de grond. Cohen hoopt daar met zijn Terugkeernotitie (juni 1999) verandering in te brengen. IND, COA, marechaussee en het openbaar ministerie hebben inmiddels afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat vanaf 1 april daadwerkelijk meer afgewezen asielzoekers terugkeren naar hun eigen land.

mailIcon print |