Het raam van de slaapkamer leek dichtgeplakt met grijs folie. Het mistte en je kon van de bomen in de tuin alleen de bleke contouren zien. Pas buiten zag ik dat elke tak, twijg, vruchtje en afgevallen herfstblad gehuld was in ruige rijpkristallen.
Auto's proberen met hun lichten de witte wolk te doorboren. Eerst zie je de koplampen opdoemen uit de mist, daarna pas de auto. Ik loods Joris voorzichtig de grote weg over.
Het is wonderlijk stil. Alle geluiden klinken als gedempt. Kleine webben, kennelijk van jonge spinnen, zijn geweven tussen de hoogste twijgjes van de sneeuwbessen, die de tuinlieden nog niet hebben afgezaagd. De draadjes zijn nadrukkelijk wit berijpt, fijne lijntjes tegen het donkere, lichtelijk bevroren loof.
Het blad van de melkdistels, vorige week nog prijkend met een paar bleekgele hoofdjes, hangt aangedaan door de vorst glibberig groen slap neer. Maar in een beschutte tuin bloeien nog fel oranje een paar goudsbloemen tussen schuimige pruiken wit schildzaad. Lilapaarse en witte winterhei trekken zich van de kou helemaal niets aan.
Ganzentrek
Een roodborst snikkerikt tussen de struiken. Kolganzen vliegen ergens hoog boven ons roepend rond. Door de mist zijn ze de kluts kwijt. Troepen kolganzen vliegen elke dag van hun slaapplaatsen op het wijde water naar de polders, waar ze overdag grazen. Bij het kouder worden trekken ook nogal wat ganzen, die bij zacht winterweer in Noord-Nederland verblijven, naar de gorzen in de voormalige zeegaten van het Deltagebied. 'sNachts horen we ze overkomen. Je herkent de kollen aan hun hoge, kliauwende roep. Grauwe ganzen gakkeren meer, net als tamme ganzen. Rietganzen maken een snaterend neusgeluid, maar die komen hier weinig. De meeste rietganzen overwinteren in de uiterwaarden van de grote rivieren.
De uitgedroogde schermen van gewone engelwortel aan de vaart lijken een tweede bloei te beleven, zo wit zien ze door de rijp. In een groepje elzen tiereliert een boomkruiper. In een spiraal omhoogklimmend tegen de stam is hij op zoek naar in schorsspleetjes overwinterende insecten, naar eitjes van de wintervlinders en naar spinnenlegsels.
Troepen sijzen kwebbelen met enthousiaste uithaaltjes in de boomkruinen. Sijzen leven net als andere vinken in de winter voornamelijk van onkruid- en boomzaden. Behendig peuteren ze de bruine nootjes uit de elzenproppen. Zonder aanwijsbare reden vliegt plotseling de hele troep op. Een eindje verder strijken ze onder het uiten van hoge kraaiende geluidjes weer in de elzen neer.
Berijpte vruchten
De elzenkatjes zitten nog stijf dicht, hun matpaars bestoven door rijpkristallen. Bruin verkleurde vruchten, die nog aan de takken hangen, zoals de gevleugelde splitvruchten van de Spaanse aak en de nootjes van de haagbeuk, vallen door de rijp nu pas echt op. De vleugels aan de vruchten doen vermoeden dat de wind voor de verspreiding zorgt, maar de zaden zijn zo zwaar dat alleen een harde storm ze misschien een paar meter van de boom kan verplaatsen. De meeste zaden kiemen direct onder de boom.
In de middag komt de zon als een bleke schijf door de mist, die niet meer uitzicht biedt dan vijftig meter. Nog fraaier door de rijp dan de vruchten van de Spaanse aak zijn de vurig rode bottels van hondsroos en egelantier. Dat vraagt om een kleurenfoto, maar die kan ik in de krant niet kwijt.
Stammen en takken glimmen van nattigheid. Heldere druppels hangen aan de twijgen. Lichtend rood in het onderhout is een enkele doorschijnende kraal van de Gelderse roos met een fonkelende druppel eraan.
Zichtbare nesten
Het gekibbel van huismussen klinkt plotseling op bij de huizen. Daar zingen spreeuwen in een boom, alsof het lente wordt. Een grote bonte specht klopt luid tegen het verbleekte hout van een dode vlier. Het is een vrouwtje, wat te zien is aan het ontbreken van de rode achterhoofdsvlek, die het mannetje wel heeft. Rood is alleen haar gatje.
De botergele, vochtig glimmende hoeden van fluweelpootjes puilen uit de ruige schors van een dode populier. Twee gaaien vliegen schetterend voor ons uit. Dat de bomen nu kaal zijn, biedt aparte voordelen. Je kunt de vogels nu beter bekijken, maar ook zien waar ze in het afgelopen broedseizoen een nest hadden.
Ik zoek nooit naar nesten. Je moet vogels niet in hun broedzorg storen. Ik heb genoeg aan het ijverige zingen om te weten dat een mannetje ergens een territorium heeft en daar waarschijnlijk wat later in de lente een broedend vrouwtje heeft.
Je kunt nu haast niet om de oude nesten heen. Of ze nu groot of klein zijn, nesten vallen op in de kale struiken en boomkruinen. Het vergt wat oefening lege nesten zonder de bewoners te herkennen, maar het is een boeiende bezigheid.
Iepen, essen en esdoorns
In mijn buurt zie ik het meest de grote eksternesten in de toppen van vooral iepen. Eksters kiezen voor hun grote ronde bouwsels doorgaans bomen met een dicht netwerk van takken. Een enkel paar neemt genoegen met een hoge esdoorn en in de lage boomsingel om de sportvelden zie ik ook een paar nesten in Spaanse aken.
Er zit een groot kraaiennest in een es vlak bij huis. De eigenaars zijn altijd in de buurt, schuimen het grote grasveld tussen de woningen af. Ze laten Joris tot op een meter naderen en trekken zich ook van mensen weinig aan.
Het is de moeite waard de ligging van kraaiennesten te onthouden, want ze worden vaak gekraakt door ransuilen. Ook torenvalken en boomvalken maken voor hun broedsel nogal eens gebruik van oude kraaiennesten.
Houtduiven en tortels bouwen zulke iele takkenvloertjes dat je er de hemel doorheen kunt zien. Ze zitten meestal vier tot vijf meter hoog, tenzij ze een geschikte nestplek hebben gevonden tussen dichte klimop, zoals in onze tuin.
Merelnesten zitten zelden hoog. De ronde bouwsels zijn vaak versterkt met modder, maar de nestkom is nooit zo mooi glad gepleisterd als zanglijsters doen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.