In de zomer van 1990 verkeerden we als Nederlandse voetbaljournalisten op het WK in Italië in het vrolijke gezelschap van Youp van 't Hek. Weliswaar had Youp zo ongeveer het faillissement van onze beroepsorganisatie op zijn geweten -hij wilde als NRC-columnist een perskaart, onze koepel wilde hem niet accrediteren, kortom een hoop heibel, juridische gevechten met een winnende Youp- maar eenmaal present op Sicilië bleek Youp net zo leuk te zijn als op het toneel. De man was werkelijk de hele dag grappig en gezellig. Collega-concurrent Freek de Jonge kon het blijkbaar niet zo goed hebben toen hij doorhad dat wij met Youp zoveel plezier hadden. Toen Freek ons hotel binnenkwam en meteen aan een grap begon, bitste een wat humeurige collega uit Gelderland: ,,Hou eens op joh, voor de grappen hebben we dit toernooi Van 't Hek al.'' Freek zocht meteen een ander hotel.
Youp en de meesten van ons hadden het dus goed naar de zin op Sicilië. Dat gold niet voor een nieuwe, tamelijk wonderlijke collega die zich ook in de groep had genesteld. Die nieuweling bleek een Belgische journalist met een Nederlandse opdrachtgever te zijn: Hugo Camps. Voor deze debutant in het voetbalwereldje was het leven geen lolletje. Hugo was de godsganse dag aan het klagen. Niets was leuk, alles was niks. In een overigens onnavolgbaar mooie taal schreef en sprak hij steeds over de zwarte kanten van het leven. Alleen mooie vrouwen konden zijn lot verlichten.
We zagen Hugo niet vaak. Was er een groot voetbaltoernooi, dan dook hij op. Gaandeweg begonnen we aan zijn treurigheid te wennen. Velen van ons voelden zich zelfs geroepen Hugo in zijn zware leven bij te staan. We deelden schouderklopjes uit, we spraken Hugo moed in en we gingen met hem uit eten. Tijdens het diner bleek Hugo onnoemelijk veel meer verstand van wijnen te hebben dan wij, afnemers van de ongecultiveerde Hollandse pot.
Hugo hield van mooi en duur. Dat kwam ook naar voren toen hij sportsterren voor de televisie ging interviewen. Die gesprekken werden in een stijlvol etablissement gevoerd. Zag ik Hugo tijdens zo'n gesprek met een sportmevrouw in de weer, dan vroeg ik me altijd af of het na afloop nog wat was geworden tussen die twee. Verliefd was Hugo zeker, daar kon je donder op zeggen.
Tijdens het WK van 1994 in Amerika kwam mijn vrouw naar Washington. Kort na aankomst belde zij vanuit de hotelbar naar mijn kamer. ,,Ik zit hier met een bijzondere man. Hij zegt dat hij een oceaan van weemoed in mijn blauwe ogen ziet.'' Is het een enigszins kalende, naar corpulentie neigende man met droevige ogen en een Vlaamse tongval, vroeg ik meteen. Dat alles klopte. Niks aan de hand, zei ik geruststellend. Dat is onze Hugo uit Antwerpen. Een dag later interviewde ik Hugo. Ik viel met de deur in huis en vroeg hoe het met het verdriet in België was. ,,Tegenwoordig wenen bij ons zelfs de standbeelden'', wist Hugo.
Donderdag was ik in België en het was er, als altijd, genoeglijk. Ik sloeg de Gazet van Antwerpen open en vernam dat alweer een Belgische voetbalcrack Hugo een zak stront vindt. Erik Gerets, tot voor kort een huisvriend van Hugo, haat hem inmiddels. En nu Hugo heeft geschreven dat hij Bob Peeters beschouwt als 'een clown met lange benen', als 'een houten slungel met de startsnelheid van een tractor' en als 'het negertje van Vitesse', antwoordt deze Rode Duivel: ,,Die Camps is één brok frustratie. Hij is een mannetje dat onder de gordel slaat.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.